Aardrotatie
Is de draaiing van de Aarde om haar as. De rotatieperiode van de Aarde bedraagt
23h56m04s. Deze periode wordt de sterrendag
genoemd. Na één sterrendag heeft de Aarde weer dezelfde stand ten opzichte van de
sterren. Omdat de Aarde in die periode ook een klein beetje om de Zon is gedraaid, duurt
het nog 3m56s voor ze weer dezelfde stand ten opzichte van de Zon heeft ingenomen. De
zonnedag (etmaal) duurt dan ook 24 uur. De rotatieperiode van de Aarde is overigens
niet helemaal constant. Er treden minieme schommelingen op als gevolg van klimatologische
effecten, zoals El Niño, en in de loop der eeuwen neemt de rotatieperiode langzaam maar
zeker af door de getijdenwerking van de Maan. Om dit verschijnsel te compenseren wordt af
en toe een schrikkelseconde ingevoerd. (DD)
Albedo
Afgeleid van het Latijnse albedo (wit(achtig)heid, bleekheid).
Het is een benaming voor de reflectiviteit van een planeet, een planetoïde of een
satelliet, m.n. de verhouding tussen de hoeveelheid licht die het object ontvangt van de
Zon en de hoeveelheid die direct wordt weerkaatst in de ruimte. Een wit lichaam straalt
alle licht terug en heeft een albedo van 1,0 terwijl een zwart lichaam alle straling
opslorpt en een albedo van 0,0 heeft. More
Aphelium
Afgeleid van a p o (ver, van (weg)) en ¢ h l i
o V (zon).
Het punt in een ellipsvormige baan van een planeet, een planetoïde of een komeet, dat
het verst verwijderd is van de Zon.
Apogeum
Afgeleid van a p o (ver, van (weg)) en gh (aarde).
Het punt in een ellipsvormige baan rond de Aarde dat het verst verwijderd is van de Aarde.
Asteroïde
Afgeleid van asthr (ster) en 'oid'(uitgang
voor gelijkend op, klein).
Asteroid is de Engelse term voor planetoïde.
Astronomie
Afgeleid van astron (ster, sterrenbeeld; hemel) en nomoV (gewoonte, wet, regel). Een
andere naam is 'sterrenkunde'.
Het is de wetenschap van de sterren en andere hemellichamen. Het is m.a.w. de wetenschap
waarin het hele universum wordt bestudeerd. Alles wat buiten de aardse atmosfeer ligt,
maakt deel uit van de astronomie.
De beweging van de hemellichamen kreeg vooral sinds Newton een stevige basis in de
hemelmechanica.
De chemische samenstelling van sterren, hun temperatuur, dichtheid, enz. krijgt een plaats
in de astrofysica.
Astronomische Eenheid (AE)
Sinds 1984 werd door de International Astronomical Union beslist dat 1 AE = 149 597 870
km. Eenvoudigheidshalve wordt soms nog de waarde van 1968 gebruikt: 149 600 000 km.
Atmosfeer van de Aarde
Afgeleid van atmoV (damp,
stoom) en sfaira (bol, kogel).
More: Atmosphere
Aurora
Afgeleid van het Latijnse aurora (morgenrood, dageraad)..
Zie 'poollicht'.
Azimut (A)
Een van de horizontale coördinaten (samen met de zenitafstand z of het
complement ervan: de hoogte h). Het is de hoek vanaf het zuiden in
westwaartse richting tot het snijpunt met de grote cirkel door het zenit en het
betreffende hemellichaam. Bemerk dat in veel handboeken het noorden wordt gelijkgesteld
met 0° , het oosten met 90°, het zuiden met 180° en het westen met 270°.
Blazar
Extreem lichtgevende, sterk wisselende stralingsbronnen. Ze worden in verband gebracht met
quasars.
Bolide
Afgeleid van bwloV (aarden
kluit; zonnebal).
Is een vuurbol. Soms gaat een bolide gepaard met
geluid: een of meerdere knallen of gedonder.
Boogminuut
Is het zestigste deel van een graad. Men gebruikt de term 'boogminuut' om aan te duiden
dat het een deel van een graad betreft en niet van een uur.
Bosonen
Elementaire deeltjes kunnen opgedeeld worden in twee groepen: bosonen en fermionen. Ze verschillen in de waarde
van hun spin. Bosonen (genoemd naar de Indiase natuurkundige Satyendra Nath Bose) hebben
een geheel getal (0, 1, 2) als waarde van de spin. Het zijn deeltjes die zorgen voor de
interactie tussen deeltjes.
In de kwantummechanica wordt het individueel gedrag van de bosonen beschreven door middel van een Y-symmetrische golffunctie: de deeltjes zijn identiek en niet onderscheidbaar. Voor bosonen is de Bose-Einstein verdeling geldig. Men zou kunnen zeggen dat bosonen elkaars gezelschap opzoeken. Naar aanleiding van het werk van Bose ontwikkelde Einstein de zogenaamde Bose-Einstein statistiek. Meer: Standaardmodel
Bruine dwergen
Bruine dwergen ontstaan zoals sterren uit de gravitationele ineenstorting van
interstellaire wolken van stof en gas. Deze wolken zijn hoofdzakelijk samengesteld uit
waterstof en helium en bevatten ook kleine hoeveelheden van deuterium en lithium,
overblijfselen van de nucleosynthese die plaatsvond enkele minuten na de Big Bang. Er
vindt een fusie plaats van deuteriumkernen om helium-3 te vormen. Deuteriumfusie kan
plaatsvinden in bruine dwergen omdat het een lagere temperatuur vereist - en dus een
lagere massa - dan waterstoffusie. De massa van een bruine dwerg is te klein om waterstof
te laten ontbranden. Het vrijkomen van energie door de heliumfusie roept tijdelijk een
halt toe aan de contractie en doet het object licht afgeven. Na enkele miljoenen jaren
komt een einde aan de voorraad deuterium en de contractie begint opnieuw. De elektronendruk voorkomt de ineenstorting van
bruine dwergen. Men zegt dat ze 'ontaard' zijn.
Omdat ook de lichtkracht van bruine dwergen vlug vermindert als gevolg van de
gravitationele contractie, zijn ze heel moeilijk op te sporen. Jonge bruine dwergen hebben
een oppervlaktetemperatuur van ongeveer 3.500 tot 1.500 K. Bruine dwergen zijn ongeveer
even groot als Jupiter. Hun massa bedraagt 15 tot 80 keer de massa van Jupiter of 1 tot 8%
van de zonsmassa. Zoals bij de sterren (van 0,08 tot 80 zonsmassa) zijn er veel meer
lichte bruine dwergen dan massarijke.
Conjunctie
Afgeleid van het Latijnse con-iungere (aaneenvoegen, verenigen).
Het is een schijnbare samenstand tussen twee hemellichamen.
Bij een conjunctie van twee planeten, de Maan en een planeet, een planeet en een ster
hebben beide hemellichamen dezelfde rechte
klimming.
In het geval van een conjunctie van een planeet met de Zon, heeft een planeet dezelfde
ecliptische lengte als de Zon. Dan wordt de conjunctie langs de ecliptica gemeten.
Bovenconjunctie: De Zon bevindt zich tussen de planeet en de Aarde. Zowel
een binnenplaneet als een buitenplaneet kan in bovenconjunctie voorkomen.
Benedenconjunctie: De planeet bevindt zich tussen de Zon en de Aarde.
Uiteraard kan dit enkel voor een binnenplaneet.
Coördinatenstelsels
Coronale gaten
Coronale gaten zijn "donkere" coronale gebieden van de Zon met open magnetische
veldlijnen. Gedurende het minimum van de zonnecyclus zijn ze beperkt tot de poolgebieden
van de Zon terwijl ze tijdens het maximum op alle breedtegraden kunnen voorkomen. De
snelle zonnewinden (tot 900 km/seconde)
zijn afkomstig van de coronale gaten en worden als de voornaamste oorzaak van het 'zich
herhalend' type van geomagnetische activiteit
beschouwd (Heeft te maken met de zonnerotatie in ongeveer 27 dagen. De Zon kent een
differentiële rotatie. Aan de polen duurt een rotatie ongeveer 35 dagen.). More: Coronal
holes.
Coronale Massa-Emissie (Coronal mass ejection (CME))
Coronale massaemissies (CME's) zijn reusachtige bellen van elektrisch geladen gas (plasma)
die vanuit de zonnecorona in een tijdspanne van verscheidene uren worden uitgestoten. Ze
kunnen snelheden halen van 20 tot 2000 km per seconde. De massa die tijdens een CME wordt
uitegestoten is in de orde van een miljard ton. Ze ontstaan waarschijnlijk wanneer de
magnetische veldlijnen geassocieerd met een zonnevlek verstrengeld raken en energie
vrijmaken via magnetische 'reconnectie'. CME's die gericht zijn op de Aarde veroorzaken
magnetische stormen bij de interactie met het magnetisch veld van de Aarde. Het magnetisch
veld wordt meer uitgerekt en elektrisch geladen deeltjes die zijn gevangen in het
magnetisch veld, worden versneld. Tijdens het maximum van de zonnecyclus zijn er ongeveer
vijf keer meer CME's dan tijdens het minimum. De meeste geomagnetische stormen zijn
ontstaan door CME's die in op de Aarde zijn gericht. More:
Top
Declinatie (d)
Afgeleid van het Latijnse declinatio (het uitbuigen, afwijking).
Een van de twee equatoriale coördinaten (samen met de
Deeltjesnamen
Een vrij elektron kan om het even welke energie bezitten. Gebonden elektronen rond een atoomkern kunnen slechts een discreet aantal mogelijke energieën aannemen. (Paul Hellings, Supernovae (II), in Heelal, december 2001, p. 316).
Het Heelal is waarschijnlijk als volgt samengesteld (getallen overgenomen uit Cosmology in the New Millennium, Sky & Telescope, October 2003):
Efemeride
Een tabel met de berekende opeenvolgende posities van een hemellichaam.
Ook de massa van elementaire deeltjes wordt uitgedrukt in de energie-eenheid "elektronvolt". (Denk aan de vergelijking van Einstein E = mc2: energie en massa zijn equivalent.), Op basis van de vermelde formules kan men berekenen dat 1 eV equivalent is met een massa van 1,78.10-38 kg.
(Meest) energetische straling in
de ruimte
In de ruimte zijn voornamelijk drie soorten straling potentieel gevaarlijk voor de mens in
de ruimte:
1. Als plaatsbepaling
Kortweg het lentepunt (vernal equinox) genoemd. In dit punt snijdt de Zon de hemelequator in de richting van de stijgende knoop van de ecliptica. Het andere punt waar de Zon de hemelequator snijdt, is de herfst-equinox (autumnal equinox).De equinoxen zijn de twee tegenoverstaande punten aan de hemelbol waar de hemelequator en de ecliptica elkaar snijden. Op dat moment zijn dag en nacht op Aarde even lang.
2. Als tijdsbepaling
Moment van de lente-equinox. Het is het moment waarop de Zon de hemelequator snijdt in de richting van de stijgende knoop van de ecliptica. Zowel de rechte klimming als de ecliptische lengte bereiken dan de 0-waarde. Het andere moment van het jaar waarop de Zon de hemelequator snijdt is het moment van de herfst-equinox.
Fermionen
Elementaire deeltjes kunnen opgedeeld worden in twee groepen: bosonen en fermionen. Ze verschillen in de waarde van hun
spin. Fermionen (genoemd naar de Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi) hebben een spin
met een halftallige waarde (1/2 en oneven veelvouden). Men kan de deeltjes als 'materie'
bestempelen. Het betreft quarks, leptonen en baryonen. Voorbeeld: elektronen,
protonen en neutronen hebben als spin 1/2. Volgens het Pauli-uitsluitingsprincipe
kunnen twee fermionen nooit in dezelfde quantumtoestand (zelfde positie, snelheid en spin)
verkeren. Dit verklaart het bestaan van bruine
en witte dwergen (elektronendruk) en
neutronensterren (neutronendruk). In de kwantummechanica wordt het individueel
gedrag van de fermionen beschreven door middel van een Y-anti-symmetrische
golffunctie: de deeltjes zijn identiek, niet onderscheidbaar en voldoen aan het
uitsluitingsprincipe. De Fermi-Dirac verdeling is geldig voor fermionen. Men zou kunnen
zeggen dat fermionen elkaars gezelschap schuwen. Meer: Standaardmodel
N.B.:
1. Hypernovamodel
Onlangs ontdekte het Chandra X-Ray Observatory
ijzer emissielijnen in de omgeving van de GRB (gamma ray burst) 991216. Dit kan enkel
verklaard worden als er kort vóór de gammaflits materie in de ruimte werd geslingerd.
Men denkt in dit geval aan een hypernova,
de ineenstorting van een massieve ster onder haar eigen gewicht. Het meest voor de hand
liggend gebeuren is de totale instorting van de kern tot een zwart gat. De vrijgekomen energie tijdens de gammaflits zou dan
zorgen voor de nagloed van eerder afgestoten materiaal in het optisch en röntgengebied.
Deze nagloed kan dagen of weken duren.
Op basis van GRB 991216 werd volgende model opgebouwd:
Het model verklaart zowel de gammaflits als de nagloed van röntgenstraling. (More: Strong Bursts Linked to Electrically Charged Black Holes)
Soms wordt de term 'collapsar' gebruikt. In dat model ondergaat de kern van een zware ster een gravitationele collaps, waardoor een zwart gat wordt gevormd. Die collaps brengt een massieve drukgolf teweeg die vanuit de ster blaast in een bepaalde richting. Deze drukgolf botst met stof en gas in het omringende interstellair medium met ongeveer de lichtsnelheid. Dit brengt de gammaflitsen voort. Deze drukgolf die de supernova-explosie voorafgaat, vindt plaats langs een bepaalde as in de twee richtingen. De burst verloopt dus niet sferisch maar in twee nauwe tegenover elkaar staande bundels. Wij kunnen bijgevolg enkel die gammaflitsen waarnemen waarvan de as in het gezichtsveld van de aardse waarnemer ligt. Met schat dat slecht één gammaflits op 450 in het waarneembare universum door ons wordt waargenomen. (http:/www.universe.nasa.gov/press/2003/030812a.html).
Een goede beschrijving van het collapsar model is te vinden in Eric Broens en Josch Hambsch, De gamma-ray burst van 29 maart 2003 en SN2003dh, in Heelal, oktober 2003, p. 258-262. Volgende ideeën komen onder meer aan bod: De twee vereisten om een gammaflits te doen ontstaan zijn de vorming van een zwart gat en een voldoende grote rotatie van de ster. Binnenin de ster zou dan eerst een accretieschijf gevormd worden, daarna zou een jet ontstaan langs de rotatieas waarna de ster ontploft. De jet kan een tiental seconden na het ontstaan van het zwart gat, het oppervlak van de ster doorbreken en door satellieten worden waargenomen. De nagloed is het botsen van de jet met interstellaire materie. Meer: Beelden met commentaar.
Tal van waarnemingen bevestigen het hypernovamodel als verklaring voor gammaflitsen, zowel wat betreft de aard van de omgeving (in melkwegstelsels) waarin ze voorkomen als het feit dat ze met supernovae geïdentificeerd worden.
Recent werd ontdekt dat de gammastraling van een bepaalde gammaflits gepolariseerd is. Dit zou dan als gevolg hebben dat een heel intens magnetisch veld de drijvende kracht zou zijn achter deze fenomenale explosies. (RHESSI)
2. Merger n-star model
Een gedeelte van de gammaflitsen zou verklaard kunnen worden door twee neutronensterren die op elkaar botsen en samensmelten tot een zwart gat. De korte pulsen (1 à 2 seconden) zouden dan wijzen op die samensmelting in een zeer ijl medium, ver van stervormingsgebieden.
- - - - - - - - - - - -
Voor de kosmologie zijn de gammaflitsen heel interessant omdat zij aangeven waar melkwegstelsels te vinden zijn en meer i.h.b. de melkwegstelsels met een zeer grote roodverschuiving. Met BeppoSAX zijn in 2001 een aantal x-straalflitsen gezien. Het zou kunnen dat gammaflitsen op zeer grote afstand worden waargenomen als röntgenflitsen. Door de kosmische roodverschuiving - als gevolg van de uitdijing van het heelal - verschuift gammastraling naar röntgenstraling. Indien de röntgenflitsen zo kunnen verklaard worden, opent dit uiterst interessante perspectieven om de eerste generatie van melkwegstelsels op het spoor te komen. Door zo diep te kijken kunnen we de geschiedenis van melkwegstelselvorming nagaan.
Satellieten die GRB's opsporen:
Geomagnetische activiteit
Als gevolg van de
Wanneer geomagnetische activiteit enig praktisch belang heeft voor de menselijke
technologie enz., spreken we over 'ruimteweer'
(space weather).
Stormen zijn veelal rechtstreeks verbonden met specifieke gebeurtenissen aangaande de
zonnewind terwijl substorm activiteit meer ingewikkeld is omwille van het tijdelijk
opstapelen van energie in de magnetotail (zie magnetosfeer).
Poollicht op de lage breedtegraden zijn verbonden met stormen en ander poollicht met
substormen. Het 'ovaal', de ring met poollicht dicht bij de polen, verdwijnt niet, zelfs
niet gedurende de meest rustige magnetosferische periodes. More: Geomagnetic
activity.
Top
Halve grote as
Is het gemiddelde van de afstanden van het brandpunt tot de ellips langs weerszijden van
de grote as.
Hemelequator
Ook hemelevenaar genoemd. Ligt in het verlengde van het evenaarsvlak op Aarde. Het
equatorvlak is het referentievlak van de uurcoördinaten en de equatoriale coördinaten.
"De hemelequator gaat precies door het oostpunt en door het westpunt van de horizon,
en bereikt (in het noordelijk halfrond) zijn grootste hoogte in het zuiden, op een hoogte
die gelijk is aan 90 graden verminderd met de geografische breedte van de waarnemer."
(J. Meeus, VVS-mailing list, 30-5-2001)
HR
Hourly Rate, Uurfrequentie. Komt overeen met ZHR maar voor de sporadische
meteorenactiviteit. (Heelal, juli 1996, p. 182)
De opvatting leeft dat bij een supernova door de schok van de ineenstorting de buitenste lagen van de ster worden weggeblazen. In het geval van een hypernova worden de buitenste lagen niet weggeblazen, maar vallen op het gevormde zwarte gat of op de neutronenster. Daarbij wordt de gravitationele potentiële energie (als gevolg van de invallende materie) omgezet in warmte en straling. Dit kan aanleiding geven tot een veel hogere helderheid dan een supernova. (http://imagine.gsfc.nasa.gov/docs/ask_astro/answers/980216d.html)
Knoop
Snijpunt van de baan van een planeet, planetoïde, Maan, komeet, satelliet met het
eclipticavlak. Bij een klimmende knoop beweegt het object zich van zuid naar noord, bij
een dalende knoop van noord naar zuid.
Wanneer deze primaire kosmische straling inslaat op de bovenste lagen van de atmosfeer, worden nieuwe deeltjes gecreëerd. Dit is de secundaire kosmische straling. Deze straling bestaat ondermeer uit muonen (behoort tot de groep van de leptonen waartoe ook het elektron en de neutrino's gerekend worden) en pi mesonen. Muonen hebben zoals de elektronen een negatieve lading, maar de massa is ongeveer 200 keer groter. De nieuwe deeltjes botsen op hun beurt waardoor een deeltjesregen ontstaat die kan bestaan uit duizenden secundaire deeltjes.
De deeltjesregen ontstaat gemiddeld op een hoogte van ongeveer 20 km. Erboven is
de lucht zo ijl dat botsingen tussen kosmische deeltjes en luchtmoleculen weinig
waarschijnlijk zijn. Hoewel muonen slechts een halfwaardetijd hebben van ongeveer 2 x 10-6
seconde (gemeten door een waarnemer die t.o.v. het muon in rust is), kan een muon, gevormd
op 20 km hoogte, toch het aardoppervlak bereiken. Dit komt omdat die deeltjes zich bewegen
met relativistische snelheden wat aanleiding geeft tot tijdsdilatatie. De tijd gaat trager
vooruit voor een deeltje dat de lichtsnelheid benadert. (Meer: C. de Jager, Deeltjes
bombarderen de aarde, Zenit, juli-augustus 2001) Een gedeelte van deze straling
kan zelfs doordringen tot verscheidene meter onder het aardoppervlak.
Kosmologie
Afgeleid van kosmoV (orde,
wereld) en logoV (woord,
bespreking).
Kosmologie omvat de studie van de oorsprong en de evolutie van het Universum als geheel.
Lentepunt
Snijpunt van de ecliptica (zonsbaan) met de hemelequator. Momenteel ligt het in het
sterrenbeeld Vissen.
Top
Magnetosfeer (van de Aarde)
Het gebied in de omgeving van de Aarde dat onder invloed staat van haar magnetisch veld
wordt de "magnetosfeer" genoemd. De Aarde is een van de planeten met een sterk
inwendig magnetisch veld. Zonder een uitwendige invloed is het geomagnetisch veld een
dipool waarvan de as ongeveer 11 graden afwijkt van de rotatieas. Onder invloed van de
zonnewind is het magnetische veld sterk vervormd. Het is die magnetische dipool die de
Aarde beschermt tegen de zonnewind. Een
Metaal
In de sterrenkunde verstaat men onder metalen alle elementen die zwaarder zijn dan
waterstof en helium. Vanaf lithium is dus alles metaal.
In de scheikunde beschouwt L Pauling (Chimie générale) 74 elementen van de 98
elementen van de tabel van Mendeljew als metaal. Kenmerkend is o.a. de goede
geleidbaarheid van warmte en elektrische stroom.
Meteoor
Afgeleid van m e t e wroV (in
de hoogte, zwevend, bovenaards).
Het is een lichtspoor hoog in de aardse atmosfeer voortgebracht door de inval van een
meteoroïde.
Men spreekt van zwermmeteoren wanneer meteoren gedurende bepaalde perioden
frequenter voorkomen. Die meteoren krijgen de naam van de plaats van hun radiant aan de
sterrenhemel. Bv.: de Leoniden, genoemd naar het sterrenbeeld Leo waarin hun radiant ligt.
Indien de intensiteit van de meteoren groot genoeg is, spreekt men van een meteorenregen.
Bij een nog grotere intensiteit is er een meteorenstorm.
Sporadische meteoren kunnen het ganse jaar door gezien worden. Ze verschijnen
willekeurig aan de hemel en lijken dus niet uit een bepaalde radiant te komen.
Grote meteoren worden vuurbollen
genoemd of boliden. More: http://leonid.arc.nasa.gov/meteor.html
Meteoriet
Een gesteente uit de ruimte (meteoroïde) dat inslaat op het oppervlak van een planeet
omdat het niet volledig is verbrand in de atmosfeer. De vier voornaamste soorten zijn: chondrieten
(oorspronkelijk materiaal van ons zonnestelsel), achondrieten (gevormd door
smeltprocessen), ijzermeteorieten (materiaal in de kern van een planeet) en steen-ijzermeteorieten
(komt overeen met de mantel van een gedifferentieerde planeet). (Heelal, september 1996,
p. 229-30)
Meteoroïde
Een klein object (stof of gesteente) dat in een baan rond de Zon draait en mogelijk een
meteoor of een meteoriet wordt. Meteoroïden worden voortdurend afgezet door de
planetoïden en kometen van ons zonnestelsel wanneer deze met elkaar botsen of wanneer de
straling van de Zon hun vluchtige bestanddelen verspreidt. Verder zijn er meteoroïden
afkomstig uit de interstellaire ruimte. In de omgeving van de Zon zijn ze eerder klein
(met een grootte van een micron of een duizendste millimeter). We kunnen dit stof soms
zien kort na zonsondergang als het "zodiakaal licht". Naarmate we de baan van
Mars naderen, vergroot de kans op meteoroïden ter grootte van één mm. (Meer: Meteoroids,
ESA-bulletin, February 2003, p. 58-61)
Neutrino
De naam is gegeven door Enrico Fermi. Het betekent "neutraal" (neutro) en
"heel klein" (-ino).
Neutraal betekent dat het niet wordt beïnvloed door elektromagnetische effecten
en ook niet door de sterke wisselwerking. Het is enkel onderhevig aan de zwakke
wisselwerking.
Zeer klein: Het is een deeltje dat men zeer moeilijk kan
detecteren. Gravitationeel kunnen neutrino's niet waargenomen worden want de massa is
veel te klein, tenzij je werkt met enorme aantallen. Ze interageren enkel met materie via
de zwakke wisselwerking. Per cm2 passeren ongeveer 6,3 x 1010
neutrino's per seconde afkomstig van de Zon door ons lichaam. We voelen er niets van omdat
ze niet ageren. Als we een dichtheid hebben van 1 gram per cm3 en we jagen er
een neutrino door, dan is de gemiddelde vrije weglengte 1019 tot 1020
cm. Dit betekent dat een neutrino slechts zal reageren na gemiddeld 10 tot 100 lichtjaar
afgelegd te hebben.
Men onderscheidt drie soorten neutrino's:
Men heeft afgeleid dat neutrino's massa moeten hebben omdat ze oscilleren. Oscillatie veronderstelt dat de betrokken massa's niet aan elkaar gelijk kunnen zijn en dat de massa's dus niet gelijk kunnen zijn aan nul. De massa van ten minste één soort moet dus verschillend zijn van nul. De term "oscillatie" is misleidend omdat geen trilling wordt bedoeld maar een gedaantewisseling. Volgens dit bericht zou de som van de massa's van (ne), (nµ) en (nt) gelegen zijn tussen 0,05 en 8,4 eV.
Daarmee is het zonneneutrinoprobleem opgelost. Het probleem was dat men slechts tussen de helft en een derde van het aantal verwachte neutrino's mat in de zonnemodellen. Onlangs (Nature, Vol 411, 3 May 2001, p. 10-12) is men immers tot de bevinding gekomen dat tussen de plaats van oorsprong (in de kern van de Zon) en de plaats van registratie (op Aarde) elektronneutrino's onderweg in een ander type kunnen veranderen, met name in muonneutrino (nµ) en in tauneutrino's (nt). Als men daarmee rekening houdt, kloppen de bestaande zonnemodellen volkomen. Meer: C. Doom, Het zonneneutrinoprobleem opgelost, Heelal, augustus 2001, p. 200-203; M. Mulders, Zullen neutrino's voor verrassingen gaan zorgen? Zenit, april 2002, p. 148-152.
De plaats van de neutrino's in het standaardmodel kan men vinden in deeltjesnamen.
Neutronenster
Neutronensterren ontstaan in de kernen van massieve sterren gedurende de
supernovaexplosies. De elektronendruk is niet voldoende om de contractie een halt toe
te roepen waardoor de elektronen versmelten met de protonen om zo neutronen te vormen.
Daar het aantal elektronen en het aantal protonen in de kern precies gelijk is, ontstaat
een object dat enkel uit neutronen bestaat. De neutronen voldoen aan het
uitsluitingsprincipe van Pauli.en leveren aldus voldoende tegendruk om niet verder ineen
te storten - alhtans indien de massa van de ingestorte kern kleiner is dan 3 zonsmassa's.
Uit de literatuur blijkt dat men eigenlijk niet helemaal zeker is dat de kern van
neutronensterren uit neutronen bestaan. De kern zou ook kunnen bestaan uit pionen of
kaonen of zelfs vrije quarks. Neutronensterren hebben in de kern een dichtheid die groter
is dan 1012 gr/cm3. Gewoonlijk wordt een dichtheid van 1014
gr/cm3 vermeld. De straal van een neutronenster bedraagt zowat 10 km. Een
donsveertje dat op Aarde 0,1 gram weegt, weegt op een neutronenster ongeveer 10.000 ton.
Door het behoud van het impulsmoment (of eenvoudig gezegd "draaimoment"), kan de rotatiesnelheid van neutronensterren onvoorstelbaar hoog oplopen. Bij een bepaalde ligging van de rotatieas kruisen de nauwe bundels die aan de magnetische polen van deze neutronensterren worden uitgezonden, de Aarde. Vandaar de term pulsars (pulsating radio sources). De stralingsbundel bestaat uit synchrotronstraling. Dit is straling met een continu spectrum (zonder absorptie- of emissielijnen). Meestal betreft het radiostraling, maar het kan ook gaan om röntgenstraling, gammastraling, ultraviolet of zichtbaar licht. Wanneer pulsars meer dan 100 maal per seconde om hun as tollen spreekt men van millisecondepulsars. Materie, afkomstig van een gebeleider, die invalt op de neutronenster, kan de baanenergie overbrengen op de neutronenster, waardoor de rotatie van de neutronenster steeds grote wordt. (http://www.gsfc.nasa.gov/news-release/releases/2002/02-056.htm). De spinperiode van een pulsar ligt zowat tussen 1 milliseconde en 8,5 seconden. De eerste pulsars werden in 1967 ontdekt. De pulsar in de Krabnevel heeft momenteel een rotatieperiode van 33 milliseconden.
De contractie leidt niet enkel tot de toename van de rotatiefrequentie maar ook tot het sterker worden van het magneetveld. Neutronensterren hebben een magneetveld van 1011 tot 1012 gauss. (De Aarde heeft aan de oppervlakte een magnetisch veld van een ongeveer een halve gauss of 5 x 10-5 tesla).
Sinds ongeveer 1995 is er een groeiende interesse voor objecten met een magnetisch veld tussen enkele keren 1013 tot 1015 gauss, de zogenaamde magnetars (strongly-magnetized neutron stars). Een neutronenster die vlugger roteert dan de periode van 10 milliseconden kan magnetars doen ontstaan. Het sterk magnetisch veld werkt als een rem op de rotatie. Na ongeveer 10.000 jaar worden magnetars inactief : er worden geen x-stralen meer uitgezonden waardoor magnetars uiterst moeilijk te ontdekken zijn. Waarschijnlijk zijn SGRs (soft gamma repeaters) en AXPs (anomalous x-ray pulsars) - het gevolg van een soort "zonnevlam" die op het oppervlak van de neutronenster optreedt - magnetars.
Over neutronensterren is nog veel meer boeiends te zeggen. Enkele goede artikels:
Newton
Nutatie
De nutatie is een (kleine) schommeling van de aardas rond zijn "gemiddelde"
positie (gemiddelde positie die langzaam door de precessie verandert). De nutatie wordt berekend als de som van een
aantal periodieke termen, waarvan verreweg de grootste een periode heeft van 18,6 jaar
(niet te verwarren met de Saros). Deze cyclische variatie komt hoofdzakelijke voort uit
het gravitationele effect van de Maan. Door de nutatie "wiebelt" het equatorvlak
van de aardbol, en daardoor schommelt het "ware" lentepunt (true equinox of
date) rond het gemiddelde lentepunt (mean equinox of date). (Jean Meeus, VVS-mailing list,
17-5-2002)
Perigeum
Afgeleid van p e r i (rondom, om ... heen) en gh (aarde).
Het punt in een ellipsvormige baan rond de Aarde dat zich het dichtst bij de Aarde
bevindt.
Perihelium
Afgeleid van p e r i (rondom, om ... heen) en ¢ h l
i o V (zon).
Het punt in een ellipsvormige baan van een planeet, een planetoïde of een komeet, dat het
dichtst gelegen is bij Zon.
Planetaire nevel
Zijn afgestoten gasschillen van kleine sterren (vergelijkbaar met de Zon). In het midden
bevindt zich een witte dwerg.
De naam is gegeven omdat men vroeger een gelijkenis ontwaarde tussen enkele neveltjes die
meestal een rond uiterlijk hadden en planeten. Feitelijk is er dus geen enkel verband met
planeten. Ze hebben eigenlijk te maken met het einde van een ster.
Planetoïde
Afgeleid van planhthV (de
ronddwalende) en 'oid' (uitgang voor 'gelijkend op', klein).
Zijn kleine planeten die zich bewegen in een baan rond de Zon voornamelijk tussen Mars en
Jupiter. Een andere naam is asteroïden. Die
naam geeft aan dat ze, evenals sterren, als stipjes overkomen. De eerste planetoïde,
Ceres, werd in 1801 ontdekt en heeft een diameter van 920 km. Bij ontdekking krijgen de
planetoïden een voorlopige aanduiding. Voorbeeld 1997 XF2. Eerst wordt het jaartal
vermeld waarin de planetoïde werd ontdekt (hier 1997). De eerste letter duidt de halve maand
van de ontdekking aan. X betekent 1-15 december. (I wordt weggelaten en Z wordt niet
gebruikt.) De volgende
letter geeft de rangorde aan van de ontdekte planetoïden binnen de halve maand. Hier
wordt opnieuw I niet gebruikt zodat slechts 25 letters meetellen. Indien meer dan 25
planetoïden zijn ontdekt in die halve maand, begint men met getallen toe te voegen. F2
betekent dan dat het de 6de (omwille van de F) + 25 x 2 (omwille van de 2) of 56ste
planetoïde is die in die halve maand is ontdekt. Toch gaat het bij die voorlopige
nummering niet altijd om echte ontdekkingen, eerder zijn het detecties van objecten die
later geïdentificeerd moeten worden. Een aantal objecten blijken reeds vroeger ontdekt
geweest te zijn, een ander klein aantal bestaat gewoon niet.
Slechts nadat een nauwkeurige baan is berekend (door nauwkeurige waarneming) kan de asteroïde een definitief nummer en komt in aanmerking voor een naam. Zo spreken we van 433 Eros.
"De planetoïden waarvan het perihelium zich binnen de baan van de Aarde bevindt, zijn de planetoïden van het Apollo-type. Voorbeelden zijn 1566 Icarus, 1620 Geographos, 1862 Apollo en 4179 Toutatis. Enkele planetoïden hebben zelfs een omlooptijd korter dan 1 jaar (en dus een halve grote baanas kleiner dan 1 AE); het zijn planetoïden van het Aten-type; voorbeelden zijn 2062 Aten, 2100 Ra-Shalom en 2340 Hathor." (Verklaring van astronomische termen VVS-website)
De lijst van planetoïden wordt bijgehouden door http://cfa-www.harvard.edu/iau/lists/ArchiveStatistics.html.
Men kan vaststellen dat er op 9 augustus 2006 13.349 planetoïden waren met een naam,
134.339 planetoïden met een nummer en
338.097 planetoïden waarvoor men een (al dan niet voorlopige) baan heeft berekend.
Poollicht
Geomagnetische veldlijnen kunnen energetische elektronen en protonen, die de magnetosfeer
zijn binnengedrongen, leiden tot in de hogere lagen van de aardse atmosfeer. De
aanstormende deeltjes verliezen hun energie in de botsingen met neutrale deeltjes en
ioniseren ze op ongeveer dezelfde hoogte als waar, door de inwerking van de UV-straling
van de Zon, de ionosfeer wordt gevormd. Daarenboven worden atomen van de hoogste
luchtlagen door de inslagen geëxciteerd (het elektron bevindt zich op een hogere baan
rond het atoom). Bij de terugval vormen de atomen fotonen, lichtpulsen waarvan de kleur
afhangt van de atomen die zijn aangeslagen. Het meeste licht is afkomstig van de groene
zuurstoflijn (5577 Å) of van rode zuurstoflijnen (emissielijnen). Bij een lage
zonneactiviteit komen de geladen deeltjes toe op de kleine ovaal rond de magnetische
polen. Wanneer de zonneactiviteit verhevigt, dringen de geladen deeltjes de ionosfeer
binnen op een lagere breedtegraad. Poollicht werd onlangs in België gezien in de nacht
van 6 op 7 april 2000 en in de nacht van 11 op 12 april 2001. Het poollicht kan heel
spectaculair overkomen. Protonen creëren overwegend een diffuus licht terwijl in het
licht door elektronen geproduceerd meer structuren voorkomen. Dit komt omdat elektronen
beter de veldlijnen volgen. Op die wijze kunnen bijvoorbeeld draperieën, of
golvende 'gordijnen' van licht ontstaan. (Bron: George Beekman, Dubbel poollicht
gefotografeerd met Image-satelliet, NRC-Handelsblad, 17 maart 2001) More: Aurora
Precessie
Afgeleid van het Latijnse praecedere (vooropgaan, voorgaan).
De rotatieas van de Aarde maakt een t.o.v. de Zon een tolbeweging. Een dergelijke rotatie
van een rotatieas met een constante hoek omheen een vaste as noemt men een
precessiebeweging. In de ruimte wordt daardoor in een tijdspanne van ongeveer 25.700 jaar
een kegel beschreven. Terzelfder tijd schuift het lentepunt op in de tegengestelde richting van de Zon langs de
ecliptica. Tijdens het jaar staat de Zon achtereenvolgens in het sterrenbeeld Waterman,
Vissen, Ram, enz. Vroeger stond het lentepunt in het sterrenbeeld Ram (Aries), nu in de
Vissen en binnen een 500-tal jaar zal het lentepunt zich in de Waterman bevinden. Het
verloop van het lentepunt bedraagt 50 boogseconden
per jaar.
Dit heeft als gevolg dat de sterrencatalogen en -atlassen strikt genomen enkel correct
zijn op een bepaald ogenblik, bekend als de epoche.
In het noordelijk halfrond bevindt de Poolster zich momenteel relatief dicht bij de
noordelijke hemelpool. Vijfduizend jaar geleden was het de minder heldere ster Thuban (a Draconis) die het noorden aanwees. Binnen twaalfduizend
jaar zal de heldere ster Wega in de buurt van het noorden staan. Tijdens de komende
honderd jaar zal de Poolster nog dichter komen bij de noordelijke hemelpool.
De duur van een tropisch jaar (de tijdspanne tussen twee opeenvolgende doorgangen van de
Zon doorheen het lentepunt) is dus korter dan een siderisch jaar (de schijnbare omloop van
de Zon t.o.v. de vaste sterren).
De oorsprong van de precessie moet hoofdzakelijk gezocht worden in de inwerking van de
gravitationele krachten van de Zon en de Maan op de rotatie van de niet sferische Aarde.
Quasar
Oorspronkelijk afgeleid van quasi-stellar radio sources. Quasars maken een
onderverdeling uit van actieve galactische kernen (AGN: active galactic nuclei)
(Astronomy, February 2003). Bij QSO's (Quasi-stellar objects) zijn de radiobronnen heel
zwak. De meest lichtgevende Seyfert type1-stelsels kunnen moeilijk van quasars
onderscheiden worden. Het spectrum van die stelsels is haast gelijk aan dat van quasars.
Het zijn actieve kernen van sterrenstelsels die enorm veel licht uitstralen. Ze kunnen
dezelfde lichtkracht hebben als 1 miljard keer de lichtkracht van de Zon. Quasars stoten
met hoge snelheid plasmastromen of jets uit. Deze jets kunnen duizenden
lichtjaren lang worden en staan loodrecht op de accretieschijf. In die jets overheerst de
combinatie elektronen - positronen. In de nabijheid van het zwarte gat halen de uitgestoten deeltjes vrijwel de lichtsnelheid.
Het mechanisme achter dit geweld is waarschijnlijk materie die in een superzwaar zwart gat
valt, ongeveer een miljard zonsmassa's groot. In eerste instantie hoopt de materie zich op
in een accretieschijf. Dicht bij het zwart gat wordt de materie zeer heet en zendt enorme
hoeveelheden straling uit.
Er is een piek in het voorkomen van quasars vanaf 1,5 miljard jaar na de Oerknal tot 3
miljard jaar.
Begin 2001 is met behulp van metingen gedaan door ISO (Infrared Space Observatory) ontdekt dat radiogalaxieën feitelijk quasars zijn waarvan de kern door een ringvormige stofmuur aan het zicht is onttrokken. Daardoor kan het licht niet tot ons doordringen. Alles heeft bijgevolg te maken met de richting waarop men de quasar kan bekijken. (Cfr. Peter Bond, Radio galaxies and quasars are close relatives, in Astronomy Now, July 2001, p. 7). Met Chandra X-ray Observatory van de NASA is dit bevestigd (29 May 2001). Bij een Seyfert type 1 stelsel kijken we in de richting van de jet (verbrede emissielijnen), bij een Seyfert type 2 stelsel kijken we doorheen de stoftorus (smalle emissielijnen daar het stof de emissie van het sterk versnelde gas rond het zwart gat tegenhoudt)(Heelal, mei 2005).
Verder is men tot de vaststelling gekomen dat er geen verschil is tussen radiogalaxieën en blazars. Blazars zijn extreem lichtgevende, sterk wisselende stralingsbronnen. Die wisseling in de lichtintensiteit ziet men als men de radiogalaxie bekijkt in de richting van de jets. Elke radiogalaxie heeft jets, of men ze nu ziet of niet. (Govert Schilling, Quasars or Blazars? It's All in the Angle, Science, Vol. 292, 15 June 2001, p. 1985).
Top
Radiant
Afgeleid van radius (hier: straal (van een lichtgevend lichaam)).
Het is alsof de zwermmeteoren vanuit een punt aan de hemelbol worden uitgestraald. Het is
niet zo dat de meteoren vanuit één punt vallen en uit elkaar gaan. Ze vallen evenwijdig
in op de aardse atmosfeer. Het is een perspectief effect. Denk aan de spoorrails die in de
verte samenkomen in één punt. Zwermmeteoren krijgen de naam van het sterrenbeeld van
waaruit ze schijnen te ontstaan.
Rechte klimming (a)
Ruimteweer (Space weather)
Volgens de US National Space Weather Programme wordt "ruimteweer" als volgt
gedefinieerd: "Omstandigheden op de Zon en in de zonnewind, de magnetosfeer, de
ionosfeer en de thermosfeer die de werking en de betrouwbaarheid van de technologische
systemen die zich in de ruimte bevinden en op aarde, kunnen beïnvloeden en die het
menselijk leven of de gezondheid in gevaar kunnen brengen."
More: Space weather
Siderische dag
Siderisch is afgeleid van het Latijnse sidus (gen. sideris)
(sterrenbeeld, ster).
De tijd die de Aarde nodig heeft om ten opzichte van de sterren eenmaal rond haar as te
draaien of met andere woorden het tijdsverschil tussen twee opeenvolgende
meridiaanpassages van een bepaalde ster. De sterrendag duurt 23h56m04,1s of anders nog,
één ware zonnedag is 1,0027379093 siderische dagen. (DD). (Zie ook: aardrotatie)
Siderische tijd
Siderisch is afgeleid van het Latijnse sidus (gen. sideris)
(sterrenbeeld, ster).
Siderische tijd is een synoniem voor sterrentijd. Het is de tijdrekening die gebaseerd is
op de siderische rotatieperiode van de Aarde. De plaatselijke sterrentijd is per definitie
gelijk aan de rechte klimming van de
objecten die zich op de meridiaan van de waarnemer bevinden, ofwel aan de uurhoek van het lentepunt. De sterrentijd is dus altijd een bruikbare indicatie
voor het deel van de sterrenhemel dat op een bepaald moment waarneembaar is. Tijdens de
herfstequinox is de sterrentijd gelijk aan de plaatselijke zonnetijd. (DD)
Let wel, plaatselijke sterretijd en plaatselijke burgerlijke tijd vallen samen rond het moment van de herfst-equinox, niet precies op het moment zelf van deze equinox. (Ik gebruik hier de term "burgerlijke tijd", omdat de zonnetijd per definitie geteld wordt vanaf de middag, de burgerlijke tijd vanaf middernacht).
In 2002, bijvoorbeeld, hebben we de volgende waarden van de middelbare sterretijd te Greenwich om 0h UT:
zodat UT en sterretijd (te Greenwich) gelijk zijn ergens in de voormiddag van 21 september, terwijl equinox plaatsvindt op 23 september te 4h 55m UT.
Maar waarom gebeurt dit nabij het herfst-equinoctium (rond het moment van de herfst-equinox)?
Laten we geen rekening houden met de tijdvereffening (equation of time), noch met de
kleine correctietermen van de nutatie.
Stel dat we op de meridiaan van Greenwich zitten en dat het 0h UT is. Voor welke datum van
het jaar is het dan ook 0h sterretijd? Als het 0h sterretijd is, staat het lentepunt in de
zuidelijke meridiaan. Dus staat het 'herfstpunt' precies in het noorden, daar waar ook de
Zon staat! Dus staat de Zon in het herfstpunt van de ecliptica, dus in het
herfst-equinoctium. Zo eenvoudig is dat! (Jean Meeus, VVS-mailing list, 14-5-02)
Snaartheorie
Waar de algemene relativiteit van toepassing is (nl. in de grote structuren),
is de zwaartekracht de bepalende factor terwijl de drie andere wisselwerkingen verwaarloosbaar zijn. Waar de kwantummechanica op
het voorplan treedt (in de wereld van de microscopie) moet de zwaartekracht de plaats
ruimen voor de sterke, zwakke en elektromagnetische wissselwerking. Maar tijdens
exceptionele omstandigheden wordt de zwaartekracht even belangrijk als de andere drie
wisselwerkingen. Dit is het geval tijdens de eerste momenten van het universum waar
temperatuur en dichtheid extreme vormen aannamen. De ontrafeling van deze eerste periode
vereist een algemene theorie waarin de algemene relativiteit en de kwantummechanica
harmonisch samengaan. Tot op heden is de snaartheorie de beste kandidaat om het conflict
tussen beide theorieën op te lossen.
In de snaartheorie bestaan de fundamentele bouwstenen van de natuur uit microscopische objecten waarvan de grootte van de orde zou zijn van de lengte van Planck (1,6161 x 10-35 m). De bekende deeltjes, zowel de fermionen als de bosonen verschijnen als bijzondere vibratiewijzen van de fundamentele snaartjes. Vioolsnaren brengen klanken voort als ze aangeslagen worden, de fundamentele snaartjes brengen deeltjes voort. De snaartheorie kent 10 dimensies (9 ruimtelijke en 1 voor de tijd) waarvan er 6 minuscuul zijn en in zich 'opgerold'.
De snaartheorie is geëvolueerd tot supersnaartheorie (die de supersymmetrie incorporeert waarbij naast de bosonische ook de femionische vibratiepatronen werden opgenomen) en de M-theorie (die vijf snaartheorieën opnam in één alomvattende theorie: de M-theorie). De naam M -theorie is blijkbaar bewust geheimzinnig gehouden en kan staan voor Mystery Theory, Mother Theory, enz. Volgens Edward Witten vereist het 'universum van de snaren' 11 dimensies (10 ruimtelijke en 1 voor de tijd).
Er wordt heel veel tijd en energie gestopt in de snaartheorie. Er is immers nog steeds geen alternatief voor de theorie.
Bronnen:
Sterrenbeelden
De volledige lijst
van de namen en van de Engelse vertaling van de 88 sterrenbeelden
Supernova
Afgeleid van het Latijnse super (boven, nog meer) en nova (stella)
(nieuwe ster).
Tijdens het maximum evenaart de lichtkracht van de supernova de lichtkracht van het
hele melkwegstelsel waarvan het deel uitmaakt. Het zijn dus gewoonlijk heel spectaculaire
gebeurtenissen. Ze komen ook veelvuldig voor. In het zichtbare universum is er ongeveer
elke seconde een supernova (Nature, 15 oktober 1998). In onze Melkweg komt een
heldere supernova eens om de honderd jaar voor. In het sterrenbeeld Vela vond meer dan
10.000 jaar geleden een supernova plaats, op een afstand van ongeveer 1500 lichtjaar. De
restanten reiken tot ver buiten het sterrenbeeld. Een nog oudere supernova-restant is de
Sluiernevel in Cygnus. De leeftijd wordt geschat op 30.000 à 50.000 jaar en de afstand
zou ongeveer 2600 lichtjaar bedragen.
Andere voorbeelden van supernovae in onze Melkweg (het getal na SN komt overeen met het jaartal waarin de supernova werd waargenomen):
Volledige lijst van alle supernovae sinds 1006: http://cfa-www.harvard.edu/iau/lists/Supernovae.html
Historische supernovae: Lees artikel van Jan Vandenbruaene in Heelal, oktober 2004, p. 312-323.
De twee voornaamste types zijn: supernova van het type Ia en van het type II.
Zonder overdrijven kan men zeggen dat wij ons bestaan te danken hebben aan supernovae. Het zijn zij die ervoor zorgen dat de levensnoodzakelijke elementen zoals ijzer, zuurstof, koolstof, ... die in de kern zijn aangemaakt, in de kosmos worden verspreid.
Meer over dit onderwerp: Paul Hellings, Supernovae (I) en (II), in Heelal, november en december 2001.
Supersonisch
Afgeleid van het Latijnse super (boven, nog meer) en sonus (geluid).
De
Synchrotronstraling
Afgeleid van sun cronoV (synchroon, gelijktijdig, samenvallend in de tijd)
en cyclotron (samenvoeging van kukloV (wiel, kring) en
elektron).
Wanneer elektronen de lichtsnelheid benaderen en een magnetisch veld ontmoeten,
spiraleren ze rond dat veld en sturen elektromagnetische straling uit. Meestal is dit
radiostraling maar de synchrotronstraling kan ook in andere golflengten voorkomen:
visueel, ultraviolet of röntgenstraling.
Tropisch (zonne)jaar
Umbra
Afgeleid van het Latijnse umbra (schaduw, duisternis).
De donkere kern van een zonnevlek. Gewoonlijk is deze kern omgeven door een lichter
gedeelte: de penumbra.
UT
Universal Time (Wereldtijd).
Omdat de lengte van de ware zonnedag varieert tussen 23h59m39s en
24h0m30s werd de middelbare zonnetijd ingevoerd. De mate waarin de ware Zon voor- of
achterloopt t.o.v. de middelbare Zon wordt getoond in de grafiek van de tijdsvereffening.
Omdat de middelbare tijd van plaats tot plaats verschilt, heeft men de zonetijd
ingevoerd. De aardbol werd verdeeld in 24 zones met Greenwich als centrale zone. De
burgerlijke dag begint om middernacht. (In het systeem van de Ware zonnetijd begon men te
tellen vanaf de middag, wanneer de Zon exact door de zuidelijke meridiaan gaat.) Vandaar
kan men zeggen dat wanneer de Middelbare Zon door de zuidelijke meridiaan van Greenwich
trekt, het 12 uur burgerlijke tijd is van Greenwich (Greenwich Civil Time). Het
gebruik van de term GMT (Greenwich Mean Time) wordt afgeraden omdat de term verwarring
schept.
Vanaf 1926 werden de Middelbare zonnetijden vervangen door de Universele
tijd (UT). Zoals de naam het zegt, wilde men één enkel tijdsysteem over de gehele
wereld. In de praktijk zijn er twee soorten Wereldtijd: UT0 en UT1. UT0 wordt afgeleid uit
de dagelijkse beweging van sterren. UT1 wordt afgeleid van UT0 maar er wordt rekening
gehouden met het effect van de beweging van de polen van de Aarde t.o.v. het
aardoppervlak.
Tijdens de zomerperiode wordt overgeschakeld op de zomertijd: de oosteuropese
tijd (UT + 2h) en tijdens de winterperiode op de wintertijd : de middeneuropese
tijd (UT + 1h).
De Wereldtijd (UT) is net zoals de Zonnetijd gebaseerd op de rotatie van de
Aarde. Omdat deze rotatie vertraagt, vormt de UT geen goede tijdsmeter. Daarom
werd overgeschakeld op de Atoomtijd (TAI of Temps atomique international). Al vlug zou
blijken dat TAI voorloopt op de UT. Daarom werd een andere tijd gedefinieerd: de UTC
(Coordinated Universal Time). UTC is een tijd die even snel verloopt als de TAI maar nooit
meer dan één seconde van UT1 verschilt. UTC volgt dus op hoogstens één seconde na de
rotatie van de Aarde. Zodra het verschil tussen UT1 en UTC 0,9 s bedraagt, wordt een
seconde toegevoegd (of afgetrokken). Schrikkelseconden kunnen ingelast worden op 30 juni
of op 31 december. De laatste keer dat een schrikkelseconde werd ingelast, was op 31
december 1998. Sindsdien is TAI = UTC + 32 s. UTC is daarom de basis voor de burgelijke
tijd over de gehele wereld. De volgende keer dat een schrikkelseconde zal worden
ingevoegd, is op 1 januari 2006.
Wanneer men zegt dat iets gebeurd is om 18.00 UTC bijv., dan veronderstelt men het op die 0,9 seconde aankomt. Als het daarop niet aankomt, kan men beter zeggen dat het feit zich voorgedaan heeft om 18.00 UT.
Om de bewegingen van objecten in het zonnestelsel te berekenen, legde de IAU (International Astronomical Union) een consistente theorie vast met als tijdsparameter de Dynamische tijd. UTC is een uniforme tijdsschaal en loopt evenwijdig met de Dynamische Tijd en dus ook met de TAI. Er zijn twee varianten van de Dynamische tijd: de Aardse tijd (Terrestrial Time TT) en de Barycentrische Dynamische tijd (TDB). Het verschil tussen Aardse tijd en Universele tijd wordt gewoonlijk aangeduid door DT. Thans (augustus 2006) bedraagt dit 65,0 seconden. Uiteraard loopt UT achter op de Dynamische Tijd omdat de rotatie van de Aarde vertraagt en de Dynamische Tijd een uniforme tijdsschaal is.
DT = TT - UT1.
Omdat de vertraging van de rotatie van de Aarde op onregelmatige wijze gebeurt, neemt ook DT onregelmatig toe." (Meer: Claude Doom, Kan iemand mij zeggen hoe laat het is? (I en II), in Heelal, juli en september 2001.)
Uurhoek
Maakt deel uit van de uurcoördinaten (coördinatenstelsels).
De uurhoek van een punt P op de hemelsfeer is de hoek in het evenaarsvlak tussen het
zuiden en het snijpunt door P op het evenaarsvlak. Het declinatie-uurhoek systeem wordt
toegepast bij equatoriaal opgestelde telescopen. Bij deze instelling is één as van de
telescoop parallel met de rotatieas van de Aarde. Daardoor kan de declinatie rechstreeks
afgelezen worden van de telescoop. De uurhoek echter verandert mee met de tijd.
De siderische tijd kan men bekomen door een equatoriaal opgestelde telescoop te richten naar een ster. Men leest de uurhoek af op de aangebrachte verdeling (gewoonlijk in uren). Indien men daarbij de rechte klimming van die ster telt (die men terugvindt in catalogen), bekomt men de siderische tijd op het ogenblik van de observatie. Daar de uurhoek en de rechte klimming zo nauw verbonden zijn met de tijd, worden ze in tijdseenheden (uren, minuten, seconden) uitgedrukt.
Vuurbol
Een meteoor die helderder is dan Venus
(visuele magnitude groter dan - 4).
Wisselwerkingen
Er zijn 4 wisselwerkingen of interacties gerangschikt volgens sterkte:
Witte dwerg
Is het overblijfsel van een kleine of niet te massieve ster. De meeste witte dwergen zijn
samengesteld uit koolstof en zuurstof (C en O). Er bestaan ook helium (He) witte dwergen
en zuurstof, neon en magnesium witte dwergen (O, Ne, Mg).
In de kern van een witte dwerg wordt de druk niet meer beïnvloed door de temperatuur maar
door de dichtheid van de vrije elektronen. Bij toenemende druk is de materie vanaf een
bepaald ogenblik ontaard. De ontaarding zorgt op zijn beurt voor een druk die
vanaf een bepaald ogenblik sterk genoeg is om weerstand te bieden aan de gravitatie. Men
spreekt van 'elektronendruk'. Bij de Zon
zal de ontaarding zich manifesteren bij een temperatuur van 100 miljoen K.
Hoe meer massa een witte dwerg bevat, hoe groter de dichtheid en hoe kleiner het volume.
De straal van een witte dwerg varieert van 0,02 keer de straal van de Zon tot ongeveer 0
(bij een theoretische massa van 1,4 zonsmassa). Volgens Chandrasekhar (Amerikaan van
Indische afkomst) bestaan er geen witte dwergen die zwaarder zijn dan 1,4 zonsmassa. Die
limiet wordt de Chandrasekhar-limiet genoemd. De centrale dichtheden van witte dwergen
varieren tussen 105 en 1012 gr/cm3. Een typische
dichtheid is 107 gr/cm3 doorheen de witte dwerg.
De eerst ontdekte witte dwerg is Sirius B en bevindt zich op 8,6 lichtjaar van de Zon.
Sirius B is van dezelfde grootteorde als de Aarde maar heeft ongeveer evenveel massa als
de Zon. Een dm3 materie van Sirius B bevat dus 320.000 keer meer massa dan een
dm3 materie van de Aarde. De magnitude bedraagt 8.7. De witte dwerg staat
momenteel te dicht bij de heldere ster Sirius om gemakkelijk te kunnen onderscheiden
worden. (Meer in P. Hellings, Witte dwergen: stellaire archeologie, in Heelal,
februari en maart 1998)
ZHR
Zenithal Hourly Rate of zenitale uurfreqentie. Dit is een maat voor de gecorrigeerde
meteorenactiviteit. De ZHR stelt het aantal meteoren per uur voor dat een waarnemer
zou zien onder een onbewolkte hemel, met de radiant in het zenit en met een grensmagnitude
van 6,5. (Heelal juli 1996, p. 182)
Zonnecyclus
De voornaamste periodiciteit in de zonneactiviteit is de 11-jarige cyclus of de
zonnecyclus. De periode is niet constant maar varieert tussen 9,5 en 12,5 jaar. Een cyclus
begint bij de minimum activiteit van de Zon. De vorige volledige zonnecyclus is deze van
1986,8 -1996,4 en kreeg het nummer 22. De 'eerste' zonnecyclus is deze van 1755 tot 1766.
Momenteel bevinden we ons in de 23ste zonnecyclus. More: Solar cycle
De 11-jarige cyclus komt tot uiting in de breedteligging van de zonnevlekken. Bij het
begin van de cyclus verschijnen nieuwe zonnevlekken ongeveer op de +/- 45° breedte.
Naarmate de cyclus evolueert, verhuizen de vlekken naar de Evenaar, tot ongeveer +/- 5°
breedte bij het einde van de cyclus. De plots die deze kenmerken weergeven, worden vlinderdiagrammen
genoemd. Daarbij valt het op dat er tijdens het maximum van de zonneactiviteit een
ompoling plaatsvindt of een omslag van het magnetisch veld. Zo was er een ompoling op
15-02-2001. Sindsdien bevindt zich de magnetische noordpool in het zuidelijk halfrond.
Rond het jaar 2012 zullen de magnetische polen opnieuw omwisselen. Indien men de ompoling
in rekening brengt, komt men tot een cyclus van 22 jaar (de zogenaamde double-solar-cycle
(DSC)). More: The Sun Does a Flip.
Zonnevlam (Solar flare)
Zijn gigantische ontploffingen in de zonneatmosfeer. Ze komen vaak voor samen met een CME.
Ze werden het eerst ontdekt naar aanleiding van het overweldigend poollicht van 1859.
Zonnevlammen evolueren op een tijdsschaal van enkele minuten. Ze ontstaan waarschijnlijk
wanneer de magnetische veldlijnen geassocieerd met een zonnevlek verstrengeld raken en
energie vrijmaken via magnetische 'reconnectie'. Tijdens een zonnevlam komt er harde
röntgenstraling en gammastraling vrij. Daarenboven komen energetische deeltjes (protonen,
elektronen en alfadeeltjes of heliumkernen) vrij die zich bewegen langs de magnetische
velden van de
Zonnewind
Het buitenste gebied van de Zon, de corona, is zo heet (tot 2 miljoen graden) dat
waterstof en helium aan de zwaartekracht van de Zon kunnen ontsnappen en een voortdurende
uitstoot van materie veroorzaken die de zonnewind wordt genoemd. Omwille van de hoge
temperatuur is de zonnewind (volledig geïoniseerd) plasma. Daarenboven bereikt de
zonnewind een
Zwart gat
Indien de kern van een massieve ster groter is dan 3 zonsmassa's, ontstaat tijdens een
supernova of een hypernova een zwart gat. In een zwart gat is de massa zo sterk in
elkaar gedrukt dat een singulariteit ontstaat, een punt in het centrum waar de
dichtheid oneindig is. De afstand tussen de singulariteit en de waarnemingshorizon
wordt de Schwarzschildstraal genoemd. Deze is gelijk aan
![]()
(Rsch is Schwarzschildstraal, G is gravitatieconstante, M is massa, c is de lichtsnelheid). Men kan zelf berekenen dat voor een massa gelijk aan de Zon, de Schwarzschildstraal gelijk is aan 2,95 km. De waarnemingshorizon komt overeen met de baan van het licht dat juist niet kan ontsnappen van het zwart gat. Eenmaal materie en licht van buiten uit de waarnemingshorizon heeft overschreden, is er geen terugweg mogelijk. De waarnemingshorizon fungeert dus als een membraan dat enkel verkeer van buiten naar binnen toelaat. Het gravitatieveld van een zwart gat is zo sterk dat niets kan ontsnappen, zelfs niet het licht.
Een niet-roterende ster zou na een gravitationele instorting eindigen als een
volkomen bolvormig zwart gat. De grootte van het zwart gat is dan enkel afhankelijk van de
massa. De ruimte-tijd is in de omgeving van het zwart gat vervormd.
De vorm van roterende zwarte gaten is afhankelijk van de massa en de rotatie.
Heel snel roterende zwarte gaten vervormen niet enkel de ruimte-tijd, maar sleuren de
ruimte-tijd met zich mee. Dit werd trouwens afgeleid uit de Algemene Relativiteitstheorie.
De Nieuw-Zeelandse wiskundige Roy Kerr is bekend voor zijn berekeningen omtrent roterende
zwarte gaten. (Meer: George Beekman, De tijd weggezogen, NRC-Handelsblad, 15
november 1997)
Het aantal zwarte gaten in de Melkweg is heel groot. In het centrum van onze Melkweg is
een zwart gat aanwezig van meer dan 2,6 miljoen zonsmassa's.
In quasars zouden nog grotere zwarte gaten schuilen met een massa van ongeveer honderd miljoen keer de massa van de Zon. Materie (gas en stof) die invalt vanuit de accretieschijf in het zwart gat zou de enorme energie kunnen verklaren die vrijkomt bij quasars. Bij dit invallen wordt een magnetisch veld opgewekt. Hoog-energetische deeltjes worden verwekt nabij het zwart gat door de invallende materie. Mogelijk worden deze deeltjes door zeer sterke magnetische velden in de vorm van jets uitgeworpen via de rotatieas van het zwart gat (in de richting van de noord- en zuidpool). (More: Stephen Hawking, A Brief History of Time, Bantam Books)
Top