Zwerm Maximum Periode

Radiant

V0 ZHR
Boötiden Jan 4.2 Jan 1 - Jan 6

15h 28m

+50°

41 100
= > lange sporen, veel lichtzwakke, blauwachtige; kortdurend maximum   
Virginiden Mrt 20 Mrt 5 - Apr 2

12h 40m

0

30 5
= > traag; langdurend maximum
Lyriden Apr 21.9 Apr 19 - Apr 25 18h 08m +33 49 10
= > snel, ook veel heldere; kortdurend maximum
Eta Aquariden Mei 4 Apr 21 - Mei 12 22h 24m 0 67 60
= > snel, nalichtende sporen
Ariëtiden Jun 7 Mei 30 - Jun 18 2h 56m +23 39 60
Zêta Perseïden Jun 9 Jun 1 - Jun 17 4h 08m +24 29 40
Bêta Tauriden Jun 29 Jun 24 - Jul 5 5h 48m +20 31 20
Delta Aquariden Z Jul 28 Jul 21 - Aug 18 22h 36m -17 41 20
Alfa Capricorniden Aug 1 Jul 15 - Aug 20 20h 32m -10 24 15
Iota Aquariden Aug 5 Jul 15 - Aug 25 22h 12m -15 36 10
Perseïden Aug 12.4 Jul 25 - Aug 22 3h 00m +58 60 80
= > snel, veel heldere, nalichtende sporen
Kappa Cygniden Aug 20 Aug 9 - Aug 25 19h 04m +55 25 8
Orioniden Okt 21 Okt 16 - Okt 26 6h 20m +16 66 30
= > snel, nalichtende sporen
Tauriden Nov 7 Okt 20 - Nov 30 3h 30m +14 30 15
= > traag, veel heldere, langdurend maximum
Leoniden Nov 17.3 Nov 14 - Nov 20 10h 08m +22 71 var
= > zeer snel, kortdurend maximum, grillig
Geminiden Dec 13.7 Dec 7 - Dec 16 7h 28m +32 34 90
= > vrij snel, korte sporen, dikwijls helder
Ursiden Dec 22 Dec 17 - Dec 24 14h 28m +78 33 15
  1. Een woordje uitleg bij deze tabel

 

  1. Bepalen van de ZHR voor een bepaalde waarnemingsperiode

ZHR   =   NCF/Teff(cosZ)g

N = aantal waargenomen zwermmeteoren

            Teff = effectieve waarnemingsduur (uren)

            C = Correctiefactor voor de grensmagnitude

                        C = r(6,5 - Lm)

                                   r = populatie - index

                                   Lm = de grensmagnitude

            F = correctiefactor voor de bedekkingsgraad = 1/(1-K)

                                   K is de bedekkingsgraad = deel van beeldveld dat afgeschermd is door wolken, huizen, bomen…

            Z = Zenitafstand van de radiant

CosZ = sinjsind + cosjcosdcos(q-a)

                                   j = breedtegraad van de waarnemingsplaats (°)

                                   a = rechte klimming van de radiant (°)

                                   d = declinatie van de radiant (°)

                                   q = lokale sterretijt (°)

            g = zenitexponent, theoretisch gezien 1, maar in praktijk wordt soms 1,4 genomen om perceptie-effecten te corrigeren.

 

  1. De populaire-index r. Dit is een maat voor de massadistributie binnen een zwerm. Deze wordt gedefinieerd als de verhouding van het aantal verschenen meteoren van magnitude klasse ‘m’ ten opzichte van het aantal van klasse ‘m-1’

                                                    r= j(m)/j(m-1)

    Deze verhouding is voor een zwerm voor alle magnitudes constant.

    Zwermen met een kleine populatie-index (voorbeeld 2.0) bestaan uit een groter aantal heldere meteoren dan  zwermen met een hoge populatie-index.  Voor sporadische meteoren blijkt de populatie-index gelijk te zijn aan 3.0.

 

  1. Drie belangereijke begrippen

 

  1. Enkele zwermen samengevat

Deze zwerm heeft een hoge ZHR maar is toch tamelijk onbekend bij de meeste amateursterrenkundigen. Dit komt omdat het vaak slecht weer is in januari en omdat de Boötiden een zeer scherp maximum hebben. Dit zorg ervoor dat slechts een deel van de aarde gunstig geplaatst is om het maximum waar te nemen. De radiant is voor onze breedtes circumpolair. Toch zijn de waarnemingsomstandigheden wat radianthoogte betreft pas naar de ochtend toe interessant.

De meteoren zijn van gemiddeldelde snelheid. De populatie-index is niet constant. Tijdens het maximum neemt r af van 3 naar ongeveer 2.2.

Dit is de allerbekendste meteorenzwerm. De hoge ZHR, de hoge snelheid en het goede weer in augustus zorgen ervoor dat deze meteorenzwerm altijd veel aandacht krijgt.

De Perseïdenzwerm vindt zijn ontstaat in de komeet P/Swift-Tuttle.

De Leoniden zijn een zwerm met periodieke (uitbarstings)activiteit telkens wanneer de moederkomeet P/Temple-Tuttle een periheliumpassage doormaakt. Om de 33 jaar is er een ‘gigantische’ meteorenstorm. In de tussenperiode valt er bijna geen activiteit te bespeuren. In 1998-99 was de laatste keer dat zo’n gebeurtenis plaatsvond.

De Leoniden hebben een snelheid van 71km/s (t.o.v. de aarde), en zijn daarmee de snelste meteoren die zichtbaar zijn.  De leoniden hebben een zeer korte piek (slechts 2 à 3 uur), zodat ze slechts voor een deel van de aarde zichtbaar zijn.

In 1833 en 1866 werd een ZHR van meer dan 10000 beschreven.

De radiant van de Geminiden bevindt zich nabij de ster Castor.  De Geminiden zijn ‘trage’ meteoren en kunnen de hele nacht door geobserveerd worden.

Door planetaire storingen zal de zwerm in de loop van de 21ste eeuw niet meer waarneembaar zijn. Het is trouwens pas in de tweede helft van de negentiende eeuw dat de Geminiden voor het eerst opgemwerkt werden.

De Geminiden zijn afkomstig uit de planetoïde Phaeton.

Naast deze periodiek verschijnende meteoren, bestaan er ook sporadische meteoren.  Sporadische meteoren hebben geen radiant. Ze komen vanuit willekeurige richtingen.  Elke nacht zijn er wel enkele te zien.

Naar de ochtend toe heb je meest kans om sporadische meteoren te zien, ‘s avonds minst. (Voor de verklaring: vergelijk met een auto die in de regen rijdt.)

Zijn de meteoroïden groot genoeg, en is hun dichtheid voldoende, dan kunnen ze hun tocht door de aardatmosfeer overleven. Zulke meteoroïden heten meteorieten. Tijdens hun vlucht door de aardatmosfeer worden ze afgeremd.  Als hun snelheid kleiner wordt dan 3 km/s dan stopt de sublimatie van de materie. De meteoor dooft.  De verdere val naar het aardoppervlak heet de dark flight fase.  Het kan gebeuren dat de meteoriet uiteenvalt. Dit geeft dan aanleidig tot een strooiveld op het aardoppervlak.  Enkel bij zeer grote meteoroïden (enkele meters diameter), blijft de meteoor licht geven tot het einde. Bij het neerkomen ontstaat er dan een inslagkrater.

Wanneer een meteoroïde kleiner van omvang is dan 0.01 mm, is haar energie onvoldoende om een lichtgevende meteoor te produceren. Voordat zij voldoende is vergit om licht te geven, is haar kinetische energie reeds verbruikt. Zodra de snelheid tot nus is gereduceerd, begint het kleine stofje langzaam verticaal naar de aarde te vallen. Sommige micrometeoroïden bereiken de grond pas na enkele dagen.

Er wordt geschat dat dagelijks 10 000 tot 100 000 ton meteorieten(stof) op de aarde neervalt.

(10 g meteoorstof per km2 per jaar)

Dit zijn zeer heldere meteoren (> magn. -4).  Ze gaan dikwijls gepaard met een nalichtend spoor. 

In de volgende tabel vindt u 3 drempelgebieden ter bepaling van de grensmagnitude. In de eerste rij staan de hoeksterren van de gebieden.  In de eerste kolom van elk drempelgebied staat het aantal sterren, in de tweede kolom staat de bijhorende grensmagnitude.

a Leo - b Leo - g Leo - d Leo a Gem - e Gem - b Gem a And - g Peg - a Peg
7 4.4 5 4.3 4 4.7
8 5 6 5.0 5 5.2
11 5.6 7 5.1 6 5.4
13 5.7 8 5.3 7 5.7
15 6.0 9 5.6 8 5.9
18 6.1 10 5.7 9 6.2
20 6.3 11 5.9 12 6.3
21 6.4 12 6.1 14 6.4
24 6.6 13 6.2 17 6.5

 

 

Bronnen

n    Handleiding visueel waarnemen van meteoren; Hendrik Vandenbruaene

n    Grote winklerprins Encyclopedie (achtste druk); Elsevier

n    Hemelkalender 2001;  VVS