Verklarende woordenlijst Astronomie

Aardrotatie
Abundantie
AE
albedo
Aphelium
Apogeum
Astero´de
Astronomie
Atmosfeer
Aurora
Azimut
Blazar
Bolhopen
Bolide
Boogminuut
Boogseconde
Bosonen
Bruine dwergen
Conjunctie
Co÷rdinatenstelsels
Coronale gaten
CME
Declinatie
Deeltjesnamen
Donkere materie
Eclips
Ecliptica
Efemeride
Elektronvolt
Elongatie
Energetische straling
Epoche
Equator
Equinox
Excentriciteit
Fermionen
Gammaflits
Geocentrisch
Geomagnetische
Halve grote as
Heliocentrisch
Heliosfeer
Hemelequator
HR
Hypernova
Joule
Knoop
Kosmische stralen
Kosmologie
Lentepunt
Magnetar
Magnetisch veld Zon
Magnetosfeer
Metaal
Meteoor
Meteoriet
Meteoro´de
mvh
Neutrino
Neutronenster
Newton
Nutatie
Oppositie
Perigeum
Perihelium
Planetaire nevel
Planeto´de
Poollicht
Precessie
Pulsar
Quasar
Radiant
Rechte klimming
Ruimteweer
Siderische dag
Siderische tijd
Snaartheorie
Sterrenbeelden
Supernova
Supersonisch
Synchrotronstraling
Topocentrisch
Tropisch jaar
Umbra
UT
uurhoek
Van Allen-gordel
Vuurbol
Wisselwerkingen
Witte dwerg
   
ZHR
Zonnecyclus
Zonnevlam
Zonnewind
Zwart gat

Aardrotatie
Is de draaiing van de Aarde om haar as. De rotatieperiode van de Aarde bedraagt 23h56m04s. Deze periode wordt de
sterrendag genoemd. Na ÚÚn sterrendag heeft de Aarde weer dezelfde stand ten opzichte van de sterren. Omdat de Aarde in die periode ook een klein beetje om de Zon is gedraaid, duurt het nog 3m56s voor ze weer dezelfde stand ten opzichte van de Zon heeft ingenomen. De zonnedag (etmaal) duurt dan ook 24 uur. De rotatieperiode  van de Aarde is overigens niet helemaal constant. Er treden minieme schommelingen op als gevolg van klimatologische effecten, zoals El Ni˝o, en in de loop der eeuwen neemt de rotatieperiode langzaam maar zeker af door de getijdenwerking van de Maan. Om dit verschijnsel te compenseren wordt af en toe een schrikkelseconde ingevoerd. (DD)

Abundantie
Afgeleid van het Latijnse abundantia (overvloed. Eigenlijk afkomstig van ab-undare: afgolven; en vandaar: overstromen)
Het is de relatieve hoeveelheid van een bepaald element in een geheel. Zo was de abundantie van helium in het heelal met de leeftijd van een kwartier ongeveer 24%.

Albedo
Afgeleid van het Latijnse albedo (wit(achtig)heid, bleekheid).
Het is een benaming voor de reflectiviteit van een planeet, een planeto´de of een satelliet, m.n. de verhouding tussen de hoeveelheid licht die het object ontvangt van de Zon en de hoeveelheid die direct wordt weerkaatst in de ruimte. Een wit lichaam straalt alle licht terug en heeft een albedo van 1,0 terwijl een zwart lichaam alle straling opslorpt en een albedo van 0,0 heeft.
More

Aphelium
Afgeleid van a p o (ver, van (weg)) en ó h l i o V (zon).
Het punt in een ellipsvormige baan van een planeet, een planeto´de of een komeet, dat het verst verwijderd is van de Zon.

Apogeum
Afgeleid van a p o (ver, van (weg)) en gh (aarde).
Het punt in een ellipsvormige baan rond de Aarde dat het verst verwijderd is van de Aarde.

Astero´de
Afgeleid van
asthr (ster) en 'oid'(uitgang voor gelijkend op, klein).
Asteroid is de Engelse term voor planeto´de.

Astronomie
Afgeleid van astron (ster, sterrenbeeld; hemel) en nomoV (gewoonte, wet, regel). Een andere naam is 'sterrenkunde'.
Het is de wetenschap van de sterren en andere hemellichamen. Het is m.a.w. de wetenschap waarin het hele universum wordt bestudeerd. Alles wat buiten de aardse atmosfeer ligt, maakt deel uit van de astronomie.
De beweging van de hemellichamen kreeg vooral sinds Newton een stevige basis in de hemelmechanica.
De chemische samenstelling van sterren, hun temperatuur, dichtheid, enz. krijgt een plaats in de astrofysica.

Astronomische Eenheid (AE)
Sinds 1984 werd door de International Astronomical Union beslist dat 1 AE = 149 597 870 km. Eenvoudigheidshalve wordt soms nog de waarde van 1968 gebruikt: 149 600 000 km.

Atmosfeer van de Aarde
Afgeleid van
atmoV (damp, stoom) en sfaira (bol, kogel).

More: Atmosphere

Aurora
Afgeleid van het Latijnse aurora (morgenrood, dageraad)..
Zie
'poollicht'.

Azimut (A)
Een van de horizontale co÷rdinaten (samen met de zenitafstand z of het complement ervan: de hoogte h). Het is de hoek vanaf het zuiden in westwaartse richting tot het snijpunt met de grote cirkel door het zenit en het betreffende hemellichaam. Bemerk dat in veel handboeken het noorden wordt gelijkgesteld met 0░ , het oosten met 90░, het zuiden met 180░ en het westen met 270░.

Blazar
Extreem lichtgevende, sterk wisselende stralingsbronnen. Ze worden in verband gebracht met quasars.

Bolhopen
Zijn enorme verzamelingen van sterren in een bolvorm. Daarnaast bestaan open sterrenhopen. Bolhopen bevinden zich in de halo van melkwegen, boven of onder de melkwegschijf. Voorbeeld: Omega Centauri, de helderste bolhoop die met het blote oog zichtbaar is in het zuidelijke sterrenbeeld Centaurus, bevat miljoenen sterren. In onze Melkweg zijn ongeveer 150 bolhopen gekend. De meest nabije bolhoop is M4 (of NGC 6121) en bevindt zich op een afstand van 7.000 lichtjaar.

Bolide
Afgeleid van bwloV (aarden kluit; zonnebal).
Is een vuurbol. Soms gaat een bolide gepaard met geluid: een of meerdere knallen of gedonder.

Boogminuut
Is het zestigste deel van een graad. Men gebruikt de term 'boogminuut' om aan te duiden dat het een deel van een graad betreft en niet van een uur.

Boogseconde
Is het zestigste deel van een boogminuut. Men gebruikt de term 'boogminuut' en 'boogseconde' om aan te duiden dat het een deel van een graad betreft en niet van een uur.

Bosonen
Elementaire deeltjes kunnen opgedeeld worden in twee groepen: bosonen en
fermionen. Ze verschillen in de waarde van hun spin. Bosonen (genoemd naar de Indiase natuurkundige Satyendra Nath Bose) hebben een geheel getal (0, 1, 2) als waarde van de spin. Het zijn deeltjes die zorgen voor de interactie tussen deeltjes.

In de kwantummechanica wordt het individueel gedrag van de bosonen beschreven door middel van een Y-symmetrische golffunctie: de deeltjes zijn identiek en niet onderscheidbaar. Voor bosonen is de Bose-Einstein verdeling geldig. Men zou kunnen zeggen dat bosonen elkaars gezelschap opzoeken. Naar aanleiding van het werk van Bose ontwikkelde Einstein de zogenaamde Bose-Einstein statistiek. Meer: Standaardmodel

Bruine dwergen
Bruine dwergen ontstaan zoals sterren uit de gravitationele ineenstorting van interstellaire wolken van stof en gas. Deze wolken zijn hoofdzakelijk samengesteld uit waterstof en helium en bevatten ook kleine hoeveelheden van deuterium en lithium, overblijfselen van de nucleosynthese die plaatsvond enkele minuten na de Big Bang. Er vindt een fusie plaats van deuteriumkernen om helium-3 te vormen. Deuteriumfusie kan plaatsvinden in bruine dwergen omdat het een lagere temperatuur vereist - en dus een lagere massa - dan waterstoffusie. De massa van een bruine dwerg is te klein om waterstof te laten ontbranden. Het vrijkomen van energie door de heliumfusie roept tijdelijk een halt toe aan de contractie en doet het object licht afgeven. Na enkele miljoenen jaren komt een einde aan de voorraad deuterium en de contractie begint opnieuw. De elektronendruk voorkomt de ineenstorting van bruine dwergen. Men zegt dat ze 'ontaard' zijn.
Omdat ook de lichtkracht van bruine dwergen vlug vermindert als gevolg van de gravitationele contractie, zijn ze heel moeilijk op te sporen. Jonge bruine dwergen hebben een oppervlaktetemperatuur van ongeveer 3.500 tot 1.500 K. Bruine dwergen zijn ongeveer even groot als Jupiter. Hun massa bedraagt 15 tot 80 keer de massa van Jupiter of 1 tot 8% van de zonsmassa. Zoals bij de sterren (van 0,08 tot 80 zonsmassa) zijn er veel meer lichte bruine dwergen dan massarijke.

Top


Conjunctie
Afgeleid van het Latijnse con-iungere (aaneenvoegen, verenigen).
Het is een schijnbare samenstand tussen twee hemellichamen.
Bij een conjunctie van twee planeten, de Maan en een planeet, een planeet en een ster hebben beide hemellichamen dezelfde
rechte klimming.
In het geval van een conjunctie van een planeet met de Zon, heeft een planeet dezelfde ecliptische lengte als de Zon. Dan wordt de conjunctie langs de ecliptica gemeten.
Bovenconjunctie: De Zon bevindt zich tussen de planeet en de Aarde. Zowel een binnenplaneet als een buitenplaneet kan in bovenconjunctie voorkomen.
Benedenconjunctie: De planeet bevindt zich tussen de Zon en de Aarde. Uiteraard kan dit enkel voor een binnenplaneet.


Co÷rdinatenstelsels

Coronale gaten
Coronale gaten zijn "donkere" coronale gebieden van de Zon met open magnetische veldlijnen. Gedurende het minimum van de zonnecyclus zijn ze beperkt tot de poolgebieden van de Zon terwijl ze tijdens het maximum op alle breedtegraden kunnen voorkomen. De snelle
zonnewinden (tot 900 km/seconde) zijn afkomstig van de coronale gaten en worden als de voornaamste oorzaak van het 'zich herhalend' type van geomagnetische activiteit beschouwd (Heeft te maken met de zonnerotatie in ongeveer 27 dagen. De Zon kent een differentiŰle rotatie. Aan de polen duurt een rotatie ongeveer 35 dagen.). More: Coronal holes.

Coronale Massa-Emissie (Coronal mass ejection (CME))
Coronale massaemissies (CME's) zijn reusachtige bellen van elektrisch geladen gas (plasma) die vanuit de zonnecorona in een tijdspanne van verscheidene uren worden uitgestoten. Ze kunnen snelheden halen van 20 tot 2000 km per seconde. De massa die tijdens een CME wordt uitegestoten is in de orde van een miljard ton. Ze ontstaan waarschijnlijk wanneer de magnetische veldlijnen geassocieerd met een zonnevlek verstrengeld raken en energie vrijmaken via magnetische 'reconnectie'. CME's die gericht zijn op de Aarde veroorzaken magnetische stormen bij de interactie met het magnetisch veld van de Aarde. Het magnetisch veld wordt meer uitgerekt en elektrisch geladen deeltjes die zijn gevangen in het magnetisch veld, worden versneld. Tijdens het maximum van de zonnecyclus zijn er ongeveer vijf keer meer CME's dan tijdens het minimum. De meeste geomagnetische stormen zijn ontstaan door CME's die in op de Aarde zijn gericht. More:
Coronal mass ejections.

Top

Declinatie (d)
Afgeleid van het Latijnse declinatio (het uitbuigen, afwijking).
Een van de twee equatoriale co÷rdinaten (samen met de
rechte klimming (a)), die wordt gebruikt om de positie in de hemel te bepalen. De equatoriale co÷rdinaten zijn constant als men tenminste het kleine effect van de precessie verwaarloost. (Declinatie is tevens een van de uurco÷rdinaten.) Het referentievlak is het equatorvlak. De declinatie wordt uitgedrukt in graden en bereikt boven het equatorvlak positieve waarden..

Deeltjesnamen
atoom, baryon, boson, enz...

Een vrij  elektron kan om het even welke energie bezitten. Gebonden elektronen rond een atoomkern kunnen slechts een discreet aantal mogelijke energieŰn aannemen. (Paul Hellings, Supernovae (II), in Heelal, december 2001, p. 316).

Donkere materie

Het Heelal is waarschijnlijk als volgt samengesteld (getallen overgenomen uit Cosmology in the New Millennium, Sky & Telescope, October 2003):

Eclips
Afgeleid van ek (uit, ont) en l e i p e i n (verlaten, verdwijnen).
Gehele of gedeeltelijke verduistering van twee hemellichamen die ongeveer dezelfde schijnbare grootte hebben. Bij een zonsverduistering wordt de Zon verduisterd in de schaduw van de Maan. Bij een maansverduistering wordt de Maan verduisterd in de schaduw van de Aarde.
Wanneer Mercurius of Venus vˇˇr de Zon beweegt, spreekt men van een overgang of een transit. Voorbeeld: Venusovergang.
Wanneer een planeet door de Maan wordt bedekt, spreekt men van "bedekkingen". Voorbeeld: op 3-11-2001 wordt Saturnus door de Maan bedekt (zichtbaar ondermeer in Europa).

Ecliptica
Het schijnbaar pad van de Zon tussen de sterren in de loop van een jaar. De grote cirkel maakt een hoek van 23░26' met de hemelequator. De gemeenschappelijke as tussen beide systemen is de lijn die het lentepunt en het herfstpunt verbindt.
Daar het feitelijk de Aarde is die draait rond de Zon is het eclipticavlak het vlak van de aardbaan.
Enkel wanneer de Maan zich in de stijgende en dalende knoop van haar baan bevindt, dus als de Maan het eclipticavlak snijdt, kan zich een eclips voordoen. Vandaar de naam ' ecliptica'.

Efemeride
Een tabel met de berekende opeenvolgende posities van een hemellichaam.

Elektronvolt
Is de energie die door een elektron is verkregen bij het overbruggen van een potentiaalverschil van 1 volt. Indien men een elektron (dat negatief geladen is) plaatst tussen twee platen,  wordt het aangetrokken door de plaat met de meest positieve spanning. De verkregen energie is dan 1 eV is dan gelijk aan de lading van het elektron maal 1 volt of 1,602.10-19 J.

Ook de massa van elementaire deeltjes wordt uitgedrukt in de energie-eenheid "elektronvolt". (Denk aan de vergelijking van Einstein E = mc2: energie en massa zijn equivalent.), Op basis van de vermelde formules kan men berekenen dat 1 eV equivalent is met een massa van 1,78.10-38 kg.

Elongatie
De hoekafstand tussen twee hemellichamen. Meestal betreft het de hoekafstand van een planeet, een planeto´de of een komeet tot de Zon. De term wordt niet gebruikt bij de hoekafstand tussen sterren.
Voor een buitenplaneet kan de elongatie gaan van 0░ (conjunctie) tot 180░ (oppositie).
Voor Venus kan het gaan van 0░ (boven- of benedenconjunctie) tot 47░.
Voor Mercurius bedraagt de elongatie maximaal 28░.

(Meest) energetische straling in de ruimte
In de ruimte zijn voornamelijk drie soorten straling potentieel gevaarlijk voor de mens in de ruimte:

Epoche
Afgeleid van e p i (op) en e c e i n (houden).
Het is een vast tijdstip dat als referentie dient gedurende een bepaalde tijd.  Een standaardepoch wordt aangeduid als 1950.0 of 2000.0 en wisselt normaal tweemaal per eeuw. Voorbeeld: J2000.0 : de co÷rdinaten werden berekend voor de situatie van 1 januari 2000.
Daar de baanelementen van een komeet heel vlug kunnen veranderen, wordt dan veelal slechts enkele dagen vastgehouden aan een bepaalde epoche. Dit tijdstip van een bepaalde waarneming wordt ook epoche genoemd.

Equator
De grote cirkel op het oppervlak van een hemellichaam, loodrecht op de rotatieas.
De hemelequator is her verlengde van die grote cirkel die de hemelbol verdeelt in een noordelijk en het zuidelijk halfrond.

Equinox
Afgeleid van het Latijnse aequus (gelijk) en nox (nacht). Dan is dag en nacht overal op Aarde gelijk..

1. Als plaatsbepaling
Kortweg het lentepunt (vernal equinox) genoemd. In dit punt snijdt de Zon de hemelequator in de richting van de stijgende knoop van de ecliptica. Het andere punt waar de Zon de hemelequator snijdt, is de herfst-equinox (autumnal equinox).

De equinoxen zijn de twee tegenoverstaande punten aan de hemelbol waar de hemelequator en de ecliptica elkaar snijden. Op dat moment zijn dag en nacht op Aarde even lang.

2. Als tijdsbepaling
Moment van de lente-equinox. Het is het moment waarop de Zon de hemelequator snijdt in de richting van de stijgende knoop van de ecliptica. Zowel de rechte klimming als de ecliptische lengte bereiken dan de 0-waarde. Het andere moment van het jaar waarop de Zon de hemelequator snijdt is het moment van de herfst-equinox.

Excentriciteit
Afgeleid van e k (uit) en kentron (punt).
Geeft aan in welke mate een ellips afwijkt van een cirkel. Een cirkel heeft als excentriciteit 0. Bij een zeer uitgerekte ellips benadert excentriciteit de eenheid.

Fermionen
Elementaire deeltjes kunnen opgedeeld worden in twee groepen:
bosonen en fermionen. Ze verschillen in de waarde van hun spin. Fermionen (genoemd naar de Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi) hebben een spin met een halftallige waarde (1/2 en oneven veelvouden). Men kan de deeltjes als 'materie' bestempelen. Het betreft quarks, leptonen en baryonen. Voorbeeld: elektronen, protonen en neutronen hebben als spin 1/2. Volgens het Pauli-uitsluitingsprincipe kunnen twee fermionen nooit in dezelfde quantumtoestand (zelfde positie, snelheid en spin) verkeren. Dit verklaart het bestaan van bruine en witte dwergen (elektronendruk) en neutronensterren (neutronendruk).  In de kwantummechanica wordt het individueel gedrag van de fermionen beschreven door middel van een Y-anti-symmetrische golffunctie: de deeltjes zijn identiek, niet onderscheidbaar en voldoen aan het uitsluitingsprincipe. De Fermi-Dirac verdeling is geldig voor fermionen. Men zou kunnen zeggen dat fermionen elkaars gezelschap schuwen.   Meer: Standaardmodel

N.B.:

Top

Gammaflits
Gammaflitsen worden gemiddeld dagelijks door satellieten waargenomen. Het zijn de zwaarste explosies in het heelal.

1. Hypernovamodel

Onlangs ontdekte het Chandra X-Ray Observatory ijzer emissielijnen in de omgeving van de GRB (gamma ray burst) 991216. Dit kan enkel verklaard worden als er kort vˇˇr de gammaflits materie in de ruimte werd geslingerd. Men denkt in dit geval aan een hypernova, de ineenstorting van een massieve ster onder haar eigen gewicht. Het meest voor de hand liggend gebeuren is de totale instorting van de kern tot een zwart gat. De vrijgekomen energie tijdens de gammaflits zou dan zorgen voor de nagloed van eerder afgestoten materiaal in het optisch en r÷ntgengebied. Deze nagloed kan dagen of weken duren.
Op basis van GRB 991216 werd volgende model opgebouwd:

Het model verklaart zowel de gammaflits als de nagloed van r÷ntgenstraling. (More: Strong Bursts Linked to Electrically Charged Black Holes)

Soms wordt de term 'collapsar' gebruikt. In dat model ondergaat de kern van een zware ster een gravitationele collaps, waardoor een zwart gat wordt gevormd. Die collaps brengt een massieve drukgolf teweeg die vanuit de ster blaast in een bepaalde richting. Deze drukgolf botst met stof en gas in het omringende interstellair medium met ongeveer de lichtsnelheid. Dit brengt de gammaflitsen voort. Deze drukgolf die de supernova-explosie voorafgaat, vindt plaats langs een bepaalde as in de twee richtingen. De burst verloopt dus niet sferisch maar in twee nauwe tegenover elkaar staande bundels. Wij kunnen bijgevolg enkel die gammaflitsen waarnemen waarvan de as in het gezichtsveld van de aardse waarnemer ligt. Met schat dat slecht ÚÚn gammaflits op 450 in het waarneembare universum door ons wordt waargenomen. (http:/www.universe.nasa.gov/press/2003/030812a.html).

Een goede beschrijving van het collapsar model is te vinden in Eric Broens en Josch Hambsch, De gamma-ray burst van 29 maart 2003 en SN2003dh, in Heelal, oktober 2003, p. 258-262. Volgende ideeŰn komen onder meer aan bod: De twee vereisten om een gammaflits te doen ontstaan zijn de vorming van een zwart gat en een voldoende grote rotatie van de ster. Binnenin de ster zou dan eerst een accretieschijf gevormd worden, daarna zou een jet ontstaan langs de rotatieas waarna de ster ontploft. De jet kan een tiental seconden na het ontstaan van het zwart gat, het oppervlak van de ster doorbreken en door satellieten worden waargenomen. De nagloed is het botsen van de jet met interstellaire materie. Meer: Beelden met commentaar.

Tal van waarnemingen bevestigen het hypernovamodel als verklaring voor gammaflitsen, zowel wat betreft de aard van de omgeving (in melkwegstelsels) waarin ze voorkomen als het feit dat ze met supernovae ge´dentificeerd worden.

Recent werd ontdekt dat de gammastraling van een bepaalde gammaflits gepolariseerd is. Dit zou dan als gevolg hebben dat een heel intens magnetisch veld de drijvende kracht zou zijn achter deze fenomenale explosies. (RHESSI)

2. Merger n-star model

Een gedeelte van de gammaflitsen zou verklaard kunnen worden door twee neutronensterren die op elkaar botsen en samensmelten tot een zwart gat. De korte pulsen (1 Ó 2 seconden) zouden dan wijzen op die samensmelting in een zeer ijl medium, ver van stervormingsgebieden.

- - - - - - - - - - - -

Voor de kosmologie zijn de gammaflitsen heel interessant omdat zij aangeven waar melkwegstelsels te vinden zijn en meer i.h.b. de melkwegstelsels met een zeer grote roodverschuiving. Met BeppoSAX zijn in 2001 een aantal x-straalflitsen gezien. Het zou kunnen dat gammaflitsen op zeer grote afstand worden waargenomen als r÷ntgenflitsen. Door de kosmische roodverschuiving - als gevolg van de uitdijing van het heelal - verschuift gammastraling naar r÷ntgenstraling. Indien de r÷ntgenflitsen zo kunnen verklaard worden, opent dit uiterst interessante perspectieven om de eerste generatie van melkwegstelsels op het spoor te komen. Door zo diep te kijken kunnen we de geschiedenis van melkwegstelselvorming nagaan.

Satellieten die GRB's opsporen:

Geocentrisch
Afgeleid van gh (aarde) en kentron (punt).
Betreft het middelpunt van de Aarde. Een geocentrisch waarnemer bekijkt een object vanuit het centrum van de Aarde (fictief waarnemingspunt).

Geomagnetische activiteit
Als gevolg van de
zonnewind wordt de Aarde getroffen door een hete, gemagnetiseerde, supersonisch plasma met een grote kinetische en elektrische energie. Een deel van deze energie vindt zijn weg in onze magnetosfeer waardoor een geomagnetische activiteit ontstaat die kan bestaan uit

Wanneer geomagnetische activiteit enig praktisch belang heeft voor de menselijke technologie enz., spreken we over 'ruimteweer' (space weather).
Stormen zijn veelal rechtstreeks verbonden met specifieke gebeurtenissen aangaande de zonnewind terwijl substorm activiteit meer ingewikkeld is omwille van het tijdelijk opstapelen van energie in de magnetotail (zie magnetosfeer). Poollicht op de lage breedtegraden zijn verbonden met stormen en ander poollicht met substormen. Het 'ovaal', de ring met poollicht dicht bij de polen, verdwijnt niet, zelfs niet gedurende de meest rustige magnetosferische periodes. More: Geomagnetic activity.

Top

Halve grote as
Is het gemiddelde van de afstanden van het brandpunt tot de ellips langs weerszijden van de grote as.

Heliocentrisch
Afgeleid van ó h l i o V (zon) en kentron (punt).
Betreft het middelpunt van de Zon. Een heliocentrische positie van een planeet is een planeet gezien vanuit het middelpunt van de Zon.

Heliosfeer
Het gebied in de ruimte waar het magnetisch veld van de Zon overheerst. Hoewel de
zonnewind zich bijna radiaal verwijdert van de Zon, geeft de zonnerotatie aan het magnetisch veld een spiraalvorm (het tuinslang effect). Ter hoogte van de baan van de Aarde is de hoek tussen de veldlijnen en de radiaal ongeveer 45 graden. Dit betekent dat de geladen deeltjes, gevormd door zonnevlammen op de oostelijke zijde van de Zon, de Aarde niet zullen treffen. Des te meer zijn zonnevlammen aan de westelijke zijde van de Zon potentieel gevaarlijke fenomenen.More: Solar wind.

Hemelequator
Ook hemelevenaar genoemd. Ligt in het verlengde van het evenaarsvlak op Aarde. Het equatorvlak is het referentievlak van de uurco÷rdinaten en de equatoriale co÷rdinaten. "De hemelequator gaat precies door het oostpunt en door het westpunt van de horizon, en bereikt (in het noordelijk halfrond) zijn grootste hoogte in het zuiden, op een hoogte die gelijk is aan 90 graden verminderd met de geografische breedte van de waarnemer." (J. Meeus, VVS-mailing list, 30-5-2001)

HR
Hourly Rate, Uurfrequentie. Komt overeen met ZHR maar voor de sporadische meteorenactiviteit. (Heelal, juli  1996, p. 182)

Hypernova
Afgeleid van ó up er (boven, over ... heen) en nova (stella) (nieuwe ster).
Komt zowat elke dag ergens in het zichtbare heelal voor. Een hypernova is tientallen keren krachtiger dan een supernova. Niet altijd wordt dit onderscheid tussen hypernova en supernova gevolgd.

De opvatting leeft dat bij een supernova door de schok van de ineenstorting de buitenste lagen van de ster worden weggeblazen. In het geval van een hypernova worden de buitenste lagen niet weggeblazen, maar vallen op het gevormde zwarte gat of op de neutronenster. Daarbij wordt de gravitationele potentiŰle energie (als gevolg van de invallende materie) omgezet in warmte en straling. Dit kan aanleiding geven tot een veel hogere helderheid dan een supernova. (http://imagine.gsfc.nasa.gov/docs/ask_astro/answers/980216d.html)

Joule
James Prescott Joule, Brits natuurkundige, Rekende de snelheid van de moleculen in een gas uit, stelde dat de energie van een gas afhangt van de temperatuur, leidde het mechanisch warmte-equivalent af.
Joule is de eenheid van arbeid, kinetische energie of de hoeveelheid warmte. 1 joule = 1 J = 1 N.m (de arbeid geleverd door een kracht van  1 newton wanneer deze een object 1 meter verplaatst in de richting van de kracht) = 1 kg.m2/s2. In de astronomie wordt nog veelal de oude eenheidsmaat erg gebruikt. 1 J = 1 x 107 erg.

Knoop
Snijpunt van de baan van een planeet, planeto´de, Maan, komeet, satelliet met het eclipticavlak. Bij een klimmende knoop beweegt het object zich van zuid naar noord, bij een dalende knoop van noord naar zuid.

Kosmische stralen
De kosmische stralen werden ontdekt door de Oostenrijkste fysicus Victor Hess die daarvoor in 1936 de Nobelprijs kreeg. Kosmische straling is afkomstig van buiten ons zonnestelsel maar meestal van binnen het Melkwegstelsel. Het zijn atoomkernen waarvan alle elektronen zijn weggeslagen tijdens de snelle doortocht door de Melkweg. Ze zijn ingevangen in het magnetisch veld van de Melkweg. Ze zijn versneld tot bijna de lichtsnelheid in de resten van supernovae. Men kon vaststellen (bericht 21-11-1995) dat twee tegenover elkaar gelegen gebieden in een snel expanderende supernovarest heel intens synchrotonstraling verspreiden. Synchrotonstraling komt tot ondermeer stand wanneer elektronen worden versneld tot bijna de lichtsnelheid onder invloed van het magnetisch veld in de ruimte. De natuurkundigen besloten dat geladen deeltjes er versneld worden tot bijna de lichtsnelheid en zijn onderhevig aan energieŰn van 100 biljoen elektronvolt. Deze energie is 50 keer groter dan kan geproduceerd worden in de sterkste deeltjesversnellers op Aarde. Het eigenlijke versnellingsproces kan vergeleken worden met een pingpongballetje dat steeds sneller heen en weer botst doordat het palet steeds dichter bij de tafel wordt gehouden. Zo winnen ook  elektronen, protonen of atoomkernen voortdurend aan snelheid binnen de supernovarest tot het een zeer grote energie bereikt. Dit proces werd voor het eerst voorgesteld als een theorie door Fermi in 1949. Het kan gaan van waterstofkernen tot ijzerkernen, waarbij de waterstofkernen ruim in de meerderheid zijn. De bron kan zijn: flares van sterren (niet van de zon), nova- of supernovaexplosies of gammaflitsen. De y-as van bijgaande grafiek heeft een logaritmische schaal. Gezien de negatief geladen elektronen ontbreken, zijn de deeltjes positief geladen. De zwaarste deeltjes hebben de grootste lading.(http://science.nasa.gov/headlines/y2001/ast04may_1.htm; htp://see.msfc.nasa.gov/see/ire/iretech.html) Ongeveer 25 kosmische stralen bombarderen ongeveer elke seconde ÚÚn vierkante duim aan de buitenkant van de aardse atmosfeer.   De meest energetische kosmische straling is mogelijk ontstaan door de inwerking van vier elliptische melkwegstelsels die zich bevinden in de Grote Beer.(http://www.gsfc.nasa.gov/news-release/releases/2002/02-055.htm) Volgens een andere theorie liggen de nabije gammaflitsen, ontstaan bij de ontploffing van ÚÚn ster, aan de basis van de waargenomen hoogenergetische straling (... /releases/2002/02-009.htm). Bemerk dat 90 % van de kosmische straling door de heliosfeer wordt afgebogen. De rest (10 %), tevens de sterkste straling, dringt door binnen de heliosfeer. .

Wanneer deze primaire kosmische straling inslaat op de bovenste lagen van de atmosfeer, worden nieuwe deeltjes gecreŰerd. Dit is de secundaire kosmische straling. Deze straling bestaat ondermeer uit muonen (behoort tot de groep van de leptonen waartoe ook het elektron en de neutrino's gerekend worden) en pi mesonen. Muonen hebben zoals de elektronen een negatieve lading, maar de massa is ongeveer 200 keer groter. De nieuwe deeltjes botsen op hun beurt waardoor een deeltjesregen ontstaat die kan bestaan uit duizenden secundaire deeltjes.

De deeltjesregen ontstaat gemiddeld op een hoogte van ongeveer 20 km.  Erboven is de lucht zo ijl dat botsingen tussen kosmische deeltjes en luchtmoleculen weinig waarschijnlijk zijn. Hoewel muonen slechts een halfwaardetijd hebben van ongeveer 2 x 10-6 seconde (gemeten door een waarnemer die t.o.v. het muon in rust is), kan een muon, gevormd op 20 km hoogte, toch het aardoppervlak bereiken. Dit komt omdat die deeltjes zich bewegen met relativistische snelheden wat aanleiding geeft tot tijdsdilatatie. De tijd gaat trager vooruit voor een deeltje dat de lichtsnelheid benadert. (Meer: C. de Jager, Deeltjes bombarderen de aarde, Zenit, juli-augustus 2001) Een gedeelte van deze straling kan zelfs doordringen tot verscheidene meter onder het aardoppervlak.

Kosmologie
Afgeleid van kosmoV (orde, wereld) en logoV (woord, bespreking).
Kosmologie omvat de studie van de oorsprong en de evolutie van het Universum als geheel.

Lentepunt
Snijpunt van de ecliptica (zonsbaan) met de hemelequator. Momenteel ligt het in het sterrenbeeld Vissen.

Magnetisch veld van de Zon
In het begin van de cyclus gelijkt het magnetisch veld van de Zon op een dipool: 'helmet streamers' (gesloten veldlijnen) in het gebied van de Evenaar en coronale gaten (open veldlijnen) nabij de polen. In de loop van de volgende 5 Ó 6 jaar is deze mooie configuratie verbroken: streamers en coronale gaten bevinden zich verspreid over alle breedtegraden. Daarna wordt geleidelijk de dipoolstructuur hersteld.

Top

Magnetosfeer (van de Aarde)
Het gebied in de omgeving van de Aarde dat onder invloed staat van haar magnetisch veld wordt de "magnetosfeer" genoemd. De Aarde is een van de planeten met een sterk inwendig magnetisch veld. Zonder een uitwendige invloed is het geomagnetisch veld een dipool waarvan de as ongeveer 11 graden afwijkt van de rotatieas. Onder invloed van de zonnewind is het magnetische veld sterk vervormd. Het is die magnetische dipool die de Aarde beschermt tegen de zonnewind. Een
illustratie van de magnetosfeer is te vinden in het textbook van 'www.oulu.fi/spaceweb'.

Metaal
In de sterrenkunde verstaat men onder metalen alle elementen die zwaarder zijn dan waterstof en helium. Vanaf lithium is dus alles metaal.

In de scheikunde beschouwt L Pauling (Chimie gÚnÚrale) 74 elementen van de 98 elementen van de tabel van Mendeljew als metaal. Kenmerkend is o.a. de goede geleidbaarheid van warmte en elektrische stroom.

Meteoor
Afgeleid van m e t e wroV (in de hoogte, zwevend, bovenaards).
Het is een lichtspoor hoog in de aardse atmosfeer voortgebracht door de inval van een meteoro´de.
Men spreekt van zwermmeteoren wanneer meteoren gedurende bepaalde perioden frequenter voorkomen. Die meteoren krijgen de naam van de plaats van hun radiant aan de sterrenhemel. Bv.: de Leoniden, genoemd naar het sterrenbeeld Leo waarin hun radiant ligt. Indien de intensiteit van de meteoren groot genoeg is, spreekt men van een meteorenregen. Bij een nog grotere intensiteit is er een meteorenstorm
Sporadische meteoren kunnen het ganse jaar door gezien worden. Ze verschijnen willekeurig aan de hemel en lijken dus niet uit een bepaalde radiant te komen.
Grote meteoren worden
vuurbollen genoemd of boliden. More: http://leonid.arc.nasa.gov/meteor.html

Meteoriet
Een gesteente uit de ruimte (meteoro´de) dat inslaat op het oppervlak van een planeet omdat het niet volledig is verbrand in de atmosfeer. De vier voornaamste soorten zijn: chondrieten (oorspronkelijk materiaal van ons zonnestelsel), achondrieten (gevormd door smeltprocessen), ijzermeteorieten (materiaal in de kern van een planeet) en steen-ijzermeteorieten (komt overeen met de mantel van een gedifferentieerde planeet). (Heelal, september 1996, p. 229-30)

Meteoro´de
Een klein object (stof of gesteente) dat in een baan rond de Zon draait en mogelijk een meteoor of een meteoriet wordt. Meteoro´den  worden voortdurend afgezet door de planeto´den en kometen van ons zonnestelsel wanneer deze met elkaar botsen of wanneer de straling van de Zon hun vluchtige bestanddelen verspreidt. Verder zijn er meteoro´den afkomstig uit de interstellaire ruimte. In de omgeving van de Zon zijn ze eerder klein (met een grootte van een micron of een duizendste millimeter). We kunnen dit stof soms zien kort na zonsondergang als het "zodiakaal licht". Naarmate we de baan van Mars naderen, vergroot de kans op meteoro´den ter grootte van ÚÚn mm. (Meer: Meteoroids, ESA-bulletin, February 2003, p. 58-61)

mvh
De afkorting mvh betekent miljoenste van het (zichtbare) zonneoppervlak (of in het engels msh - millionths of the solar hemisphere). Het is de oppervlakte-eenheid voor zonnevlekken en andere verschijnselen op de Zon. EÚn mvh is ongeveer gelijk aan 3,036 miljoen k
m2 (DD).

Neutrino
De naam is gegeven door Enrico Fermi. Het betekent "neutraal" (neutro) en "heel klein" (-ino)
.
Neutraal betekent dat het niet wordt be´nvloed door elektromagnetische effecten en ook niet door de sterke wisselwerking. Het is enkel onderhevig aan de zwakke wisselwerking.
Zeer klein: Het is een deeltje dat men zeer moeilijk kan detecteren. Gravitationeel kunnen neutrino's niet waargenomen worden want de massa is veel te klein, tenzij je werkt met enorme aantallen. Ze interageren enkel met materie via de zwakke wisselwerking. Per cm2 passeren ongeveer 6,3 x 1010 neutrino's per seconde afkomstig van de Zon door ons lichaam. We voelen er niets van omdat ze niet ageren. Als we een dichtheid hebben van 1 gram per cm3 en we jagen er een neutrino door, dan is de gemiddelde vrije weglengte 1019 tot 1020 cm. Dit betekent dat een neutrino slechts zal reageren na gemiddeld 10 tot 100 lichtjaar afgelegd te hebben.

Men onderscheidt drie soorten neutrino's:

Men heeft afgeleid dat neutrino's massa moeten hebben omdat ze oscilleren. Oscillatie veronderstelt dat de betrokken massa's niet aan elkaar gelijk kunnen zijn en dat de massa's dus niet gelijk kunnen zijn aan nul. De massa van ten minste ÚÚn soort moet dus verschillend zijn van nul. De term "oscillatie" is misleidend omdat geen trilling wordt bedoeld maar een gedaantewisseling. Volgens dit bericht zou de som van de massa's van (ne), (nÁ) en (nt) gelegen zijn tussen 0,05 en 8,4 eV.

Daarmee is het zonneneutrinoprobleem opgelost. Het probleem was dat men slechts tussen de helft en een derde van het aantal verwachte neutrino's mat in de zonnemodellen. Onlangs (Nature, Vol 411, 3 May 2001, p. 10-12) is men immers tot de bevinding gekomen dat tussen de plaats van oorsprong (in de kern van de Zon) en de plaats van registratie (op Aarde) elektronneutrino's onderweg in een ander type kunnen veranderen, met name in muonneutrino (nÁ) en in tauneutrino's (nt). Als men daarmee rekening houdt, kloppen de bestaande zonnemodellen volkomen. Meer: C. Doom, Het zonneneutrinoprobleem opgelost, Heelal, augustus 2001, p. 200-203; M. Mulders, Zullen neutrino's voor verrassingen gaan zorgen? Zenit, april 2002, p. 148-152.

De plaats van de neutrino's in het standaardmodel kan men vinden in deeltjesnamen.

Neutronenster
Neutronensterren ontstaan in de kernen van massieve sterren gedurende de supernovaexplosies.
De elektronendruk is niet voldoende om de contractie een halt toe te roepen waardoor de elektronen versmelten met de protonen om zo neutronen te vormen. Daar het aantal elektronen en het aantal protonen in de kern precies gelijk is, ontstaat een object dat enkel uit neutronen bestaat. De neutronen voldoen aan het uitsluitingsprincipe van Pauli.en leveren aldus voldoende tegendruk om niet verder ineen te storten - alhtans indien de massa van de ingestorte kern kleiner is dan 3 zonsmassa's. Uit de literatuur blijkt dat men eigenlijk niet helemaal zeker is dat de kern van neutronensterren uit neutronen bestaan. De kern zou ook kunnen bestaan uit pionen of kaonen of zelfs vrije quarks. Neutronensterren hebben in de kern een dichtheid die groter is dan 1012 gr/cm3. Gewoonlijk wordt een dichtheid van 1014 gr/cm3 vermeld. De straal van een neutronenster bedraagt zowat 10 km. Een donsveertje dat op Aarde 0,1 gram weegt, weegt op een neutronenster ongeveer 10.000 ton.

Door het behoud van het impulsmoment (of eenvoudig gezegd "draaimoment"), kan de rotatiesnelheid van neutronensterren onvoorstelbaar hoog oplopen. Bij een bepaalde ligging van de rotatieas kruisen de nauwe bundels die aan de magnetische polen van deze neutronensterren worden uitgezonden, de Aarde. Vandaar de term pulsars (pulsating radio sources). De stralingsbundel bestaat uit synchrotronstraling. Dit is straling met een continu spectrum (zonder absorptie- of emissielijnen). Meestal betreft het radiostraling, maar het kan ook gaan om r÷ntgenstraling, gammastraling, ultraviolet of zichtbaar licht. Wanneer pulsars meer dan 100 maal per seconde om hun as tollen spreekt men van millisecondepulsars. Materie, afkomstig van een gebeleider, die invalt op de neutronenster, kan de baanenergie overbrengen op de neutronenster, waardoor de rotatie van de neutronenster steeds grote wordt. (http://www.gsfc.nasa.gov/news-release/releases/2002/02-056.htm). De spinperiode van een pulsar ligt zowat tussen 1 milliseconde en 8,5 seconden. De eerste pulsars werden in 1967 ontdekt. De pulsar in de Krabnevel heeft momenteel een rotatieperiode van 33 milliseconden.

De contractie leidt niet enkel tot de toename van de rotatiefrequentie maar ook tot het sterker worden van het magneetveld. Neutronensterren hebben een magneetveld van 1011 tot 1012 gauss. (De Aarde heeft aan de oppervlakte een magnetisch veld van een ongeveer een halve gauss of 5 x 10-5 tesla).

Sinds ongeveer 1995 is er een groeiende interesse voor objecten met een magnetisch veld tussen enkele keren 1013 tot 1015 gauss, de zogenaamde magnetars (strongly-magnetized neutron stars). Een neutronenster die vlugger roteert dan de periode van 10 milliseconden kan magnetars doen ontstaan. Het sterk magnetisch veld werkt als een rem op de rotatie. Na ongeveer 10.000 jaar worden magnetars inactief : er worden geen x-stralen meer uitgezonden waardoor magnetars uiterst moeilijk te ontdekken zijn. Waarschijnlijk zijn SGRs (soft gamma repeaters) en AXPs (anomalous x-ray pulsars) - het gevolg van een soort "zonnevlam" die op het oppervlak van de neutronenster optreedt - magnetars.

Over neutronensterren is nog veel meer boeiends te zeggen. Enkele goede artikels:

Newton
Isaac Newton (1642-1727) was in 1669 hoogleraar natuurkunde in Cambridge. Hij ontwikkelde de differentiaal- en integraalrekening. Hij was de grondlegger van de klassieke mechanica. Verder is hij bekend omwille van het ontwikkelen van een telescoop met een ingebouwde spiegel: de newtonkijker.
De newton (N) is de eenheid van kracht. Een newton is de kracht die aan een massa van 1 kg een versnelling geeft van 1 m/s2. (1 N = 1 kg. 1 m.s2 ) De aarde oefent op elke massa een gravitatiekracht uit. Wij spreken dan over het gewicht. Op aarde bedraagt de gravitatieconstante 9,81 N/kg. Voorbeeld: een kracht van 100 N wordt uitgeoefend door een massa van iets meer dan 10 kg ((100 N) /( 9,81 N/kg)).

Nutatie
De nutatie is een (kleine) schommeling van de aardas rond zijn "gemiddelde" positie (gemiddelde positie die langzaam door de
precessie verandert). De nutatie wordt berekend als de som van een aantal periodieke termen, waarvan verreweg de grootste een periode heeft van 18,6 jaar (niet te verwarren met de Saros). Deze cyclische variatie komt hoofdzakelijke voort uit het gravitationele effect van de Maan. Door de nutatie "wiebelt" het equatorvlak van de aardbol, en daardoor schommelt het "ware" lentepunt (true equinox of date) rond het gemiddelde lentepunt (mean equinox of date). (Jean Meeus, VVS-mailing list, 17-5-2002)

Oppositie
Doet zich voor wanneer een buitenplaneet en de Zon in tegenovergestelde richting staan. Gewoonlijk is de planeet dan ongeveer het dichtst bij de Aarde en bijgevolg het best te zien.


Top


Perigeum
Afgeleid van p e r i (rondom, om ... heen) en gh (aarde).
Het punt in een ellipsvormige baan rond de Aarde dat zich het dichtst bij de Aarde bevindt.

Perihelium
Afgeleid van p e r i (rondom, om ... heen) en ó h l i o V (zon).
Het punt in een ellipsvormige baan van een planeet, een planeto´de of een komeet, dat het dichtst gelegen is bij Zon.

Planetaire nevel
Zijn afgestoten gasschillen van kleine sterren (vergelijkbaar met de Zon). In het midden bevindt zich een
witte dwerg.
De naam is gegeven omdat men vroeger een gelijkenis ontwaarde tussen enkele neveltjes die meestal een rond uiterlijk hadden en planeten. Feitelijk is er dus geen enkel verband met planeten. Ze hebben eigenlijk te maken met het einde van een ster.

Planeto´de
Afgeleid van
planhthV (de ronddwalende) en 'oid' (uitgang voor 'gelijkend op', klein).
Zijn kleine planeten die zich bewegen in een baan rond de Zon voornamelijk tussen Mars en Jupiter. Een andere naam is astero´den. Die naam geeft aan dat ze, evenals sterren, als stipjes overkomen. De eerste planeto´de, Ceres, werd in 1801 ontdekt en heeft een diameter van 920 km. Bij ontdekking krijgen de planeto´den een voorlopige aanduiding. Voorbeeld 1997 XF2. Eerst wordt het jaartal vermeld waarin de planeto´de werd ontdekt (hier 1997). De eerste letter duidt de halve maand van de ontdekking aan. X betekent 1-15 december. (I wordt weggelaten en Z wordt niet gebruikt.) De volgende letter geeft de rangorde aan van de ontdekte planeto´den binnen de halve maand. Hier wordt opnieuw I niet gebruikt zodat slechts 25 letters meetellen. Indien meer dan 25 planeto´den zijn ontdekt in die halve maand, begint men met getallen toe te voegen. F2 betekent dan dat het de 6de (omwille van de F) + 25 x 2 (omwille van de 2) of 56ste planeto´de is die in die halve maand is ontdekt. Toch gaat het bij die voorlopige nummering niet altijd om echte ontdekkingen, eerder zijn het detecties van objecten die later ge´dentificeerd moeten worden. Een aantal objecten blijken reeds vroeger ontdekt geweest te zijn, een ander klein aantal bestaat gewoon niet.

Slechts nadat een nauwkeurige baan is berekend (door nauwkeurige waarneming) kan de astero´de een definitief nummer en komt in aanmerking voor een naam. Zo spreken we van 433 Eros.

"De planeto´den waarvan het perihelium zich binnen de baan van de Aarde bevindt, zijn de planeto´den van het Apollo-type. Voorbeelden zijn 1566 Icarus, 1620 Geographos, 1862 Apollo en 4179 Toutatis. Enkele planeto´den hebben zelfs een omlooptijd korter dan 1 jaar (en dus een halve grote baanas kleiner dan 1 AE); het zijn planeto´den van het Aten-type; voorbeelden zijn 2062 Aten, 2100 Ra-Shalom en 2340 Hathor." (Verklaring van astronomische termen VVS-website)

De lijst van planeto´den wordt bijgehouden door http://cfa-www.harvard.edu/iau/lists/ArchiveStatistics.html. Men kan vaststellen dat er op 9 augustus 2006 13.349 planeto´den waren met een naam, 134.339 planeto´den met een nummer en
338.097 planeto´den waarvoor men een (al dan niet voorlopige) baan heeft berekend.

Poollicht
Geomagnetische veldlijnen kunnen energetische elektronen en protonen, die de magnetosfeer zijn binnengedrongen, leiden tot in de hogere lagen van de aardse atmosfeer. De aanstormende deeltjes verliezen hun energie in de botsingen met neutrale deeltjes en ioniseren ze op ongeveer dezelfde hoogte als waar, door de inwerking van de UV-straling van de Zon, de ionosfeer wordt gevormd. Daarenboven worden atomen van de hoogste luchtlagen door de inslagen geŰxciteerd (het elektron bevindt zich op een hogere baan rond het atoom). Bij de terugval vormen de atomen fotonen, lichtpulsen waarvan de kleur afhangt van de atomen die zijn aangeslagen. Het meeste licht is afkomstig van de groene zuurstoflijn (5577 ┼) of van rode zuurstoflijnen (emissielijnen). Bij een lage zonneactiviteit komen de geladen deeltjes toe op de kleine ovaal rond de magnetische polen. Wanneer de zonneactiviteit verhevigt, dringen de geladen deeltjes de ionosfeer binnen op een lagere breedtegraad. Poollicht werd onlangs in BelgiŰ gezien in de nacht van 6 op 7 april 2000 en in de nacht van 11 op 12 april 2001. Het poollicht kan heel spectaculair overkomen. Protonen creŰren overwegend een diffuus licht terwijl in het licht door elektronen geproduceerd meer structuren voorkomen. Dit komt omdat elektronen beter de veldlijnen volgen. Op die wijze kunnen bijvoorbeeld draperieŰn, of golvende 'gordijnen' van licht ontstaan.
(Bron: George Beekman, Dubbel poollicht gefotografeerd met Image-satelliet, NRC-Handelsblad, 17 maart 2001) More: Aurora

Precessie
Afgeleid van het Latijnse praecedere (vooropgaan, voorgaan).
De rotatieas van de Aarde maakt een t.o.v. de Zon een tolbeweging. Een dergelijke rotatie van een rotatieas met een constante hoek omheen een vaste as noemt men een precessiebeweging. In de ruimte wordt daardoor in een tijdspanne van ongeveer 25.700 jaar een kegel beschreven. Terzelfder tijd schuift het
lentepunt op in de tegengestelde richting van de Zon langs de ecliptica. Tijdens het jaar staat de Zon achtereenvolgens in het sterrenbeeld Waterman, Vissen, Ram, enz. Vroeger stond het lentepunt in het sterrenbeeld Ram (Aries), nu in de Vissen en binnen een 500-tal jaar zal het lentepunt zich in de Waterman bevinden. Het verloop van het lentepunt bedraagt 50 boogseconden per jaar.
Dit heeft als gevolg dat de sterrencatalogen en -atlassen strikt genomen enkel correct zijn op een bepaald ogenblik, bekend als de epoche.
In het noordelijk halfrond bevindt de Poolster zich momenteel relatief dicht bij de noordelijke hemelpool. Vijfduizend jaar geleden was het de minder heldere ster Thuban (a Draconis) die het noorden aanwees. Binnen twaalfduizend jaar zal de heldere ster Wega in de buurt van het noorden staan. Tijdens de komende honderd jaar zal de Poolster nog dichter komen bij de noordelijke hemelpool.
De duur van een tropisch jaar (de tijdspanne tussen twee opeenvolgende doorgangen van de Zon doorheen het lentepunt) is dus korter dan een siderisch jaar (de schijnbare omloop van de Zon t.o.v. de vaste sterren).
De oorsprong van de precessie moet hoofdzakelijk gezocht worden in de inwerking van de gravitationele krachten van de Zon en de Maan op de rotatie van de niet sferische Aarde.

Quasar
Oorspronkelijk afgeleid van quasi-stellar radio sources. Quasars maken een onderverdeling uit van actieve galactische kernen (AGN: active galactic nuclei) (Astronomy, February 2003). Bij QSO's (Quasi-stellar objects) zijn de radiobronnen heel zwak. De meest lichtgevende Seyfert type1-stelsels kunnen moeilijk van quasars onderscheiden worden. Het spectrum van die stelsels is haast gelijk aan dat van quasars.
Het zijn actieve kernen van sterrenstelsels die enorm veel licht uitstralen. Ze kunnen dezelfde lichtkracht hebben als 1 miljard keer de lichtkracht van de Zon. Quasars stoten met hoge snelheid plasmastromen of jets uit. Deze jets kunnen duizenden lichtjaren lang worden en staan loodrecht op de accretieschijf. In die jets overheerst de combinatie elektronen - positronen. In de nabijheid van het zwarte gat halen de uitgestoten deeltjes vrijwel de lichtsnelheid.
Het mechanisme achter dit geweld is waarschijnlijk materie die in een superzwaar zwart gat valt, ongeveer een miljard zonsmassa's groot. In eerste instantie hoopt de materie zich op in een accretieschijf. Dicht bij het zwart gat wordt de materie zeer heet en zendt enorme hoeveelheden straling uit.
Er is een piek in het voorkomen van quasars vanaf 1,5 miljard jaar na de Oerknal tot 3 miljard jaar.

Begin 2001 is met behulp van metingen gedaan door ISO (Infrared Space Observatory) ontdekt dat radiogalaxieŰn feitelijk quasars zijn waarvan de kern door een ringvormige stofmuur aan het zicht is onttrokken. Daardoor kan het licht niet tot ons doordringen. Alles heeft bijgevolg te maken met de richting waarop men de quasar kan bekijken. (Cfr. Peter Bond, Radio galaxies and quasars are close relatives, in Astronomy Now, July 2001, p. 7). Met Chandra X-ray Observatory van de NASA is dit bevestigd (29 May 2001). Bij een Seyfert type 1 stelsel kijken we in de richting van de jet (verbrede emissielijnen), bij een Seyfert type 2 stelsel kijken we doorheen de stoftorus (smalle emissielijnen daar het stof de emissie van het sterk versnelde gas rond het zwart gat tegenhoudt)(Heelal, mei 2005).

Verder is men tot de vaststelling gekomen dat er geen verschil is tussen radiogalaxieŰn en blazars. Blazars zijn extreem lichtgevende, sterk wisselende stralingsbronnen. Die wisseling in de lichtintensiteit ziet men als men de radiogalaxie bekijkt in de richting van de jets. Elke radiogalaxie heeft jets, of men ze nu ziet of niet. (Govert Schilling, Quasars or Blazars? It's All in the Angle, Science, Vol. 292, 15 June 2001, p. 1985).

Top

Radiant
Afgeleid van radius (hier: straal (van een lichtgevend lichaam)).
Het is alsof de zwermmeteoren vanuit een punt aan de hemelbol worden uitgestraald. Het is niet zo dat de meteoren vanuit ÚÚn punt vallen en uit elkaar gaan. Ze vallen evenwijdig in op de aardse atmosfeer. Het is een perspectief effect. Denk aan de spoorrails die in de verte samenkomen in ÚÚn punt. Zwermmeteoren krijgen de naam van het sterrenbeeld van waaruit ze schijnen te ontstaan.

Rechte klimming (a)
Klimmen kan worden begrepen als tellen. De rechte klimming is positief in de richting van de jaarlijkse schijnbare zonsbeweging tussen de sterren.
Maakt samen met de declinatie (d) deel uit van de equatoriale co÷rdinaten. Het is de hoek gevormd in rechtsdraaiende zin vanaf het lentepunt langs de hemelevenaar tot het snijpunt van de hemelmeridiaan die door het hemellichaam gaat. De rechte klimming wordt uitgedrukt in uren, minuten, seconden.

Ruimteweer (Space weather)
Volgens de US National Space Weather Programme wordt "ruimteweer" als volgt gedefinieerd: "Omstandigheden op de Zon en in de zonnewind, de magnetosfeer, de ionosfeer en de thermosfeer die de werking en de betrouwbaarheid van de technologische systemen die zich in de ruimte bevinden en op aarde, kunnen be´nvloeden en die het menselijk leven of de gezondheid in gevaar kunnen brengen."

De menselijke technologie kan sterk be´nvloed worden door het weer in de ruimte. Dit is vooral het geval tijdens het zonnemaximum.

More: Space weather

Siderische dag
Siderisch is afgeleid van het Latijnse sidus (gen. sideris) (sterrenbeeld, ster).
De tijd die de Aarde nodig heeft om ten opzichte van de sterren eenmaal rond haar as te draaien of met andere woorden het tijdsverschil tussen twee opeenvolgende meridiaanpassages van een bepaalde ster. De sterrendag duurt 23h56m04,1s of anders nog, ÚÚn ware zonnedag is 1,0027379093 siderische dagen. (DD).
(Zie ook: aardrotatie)

Siderische tijd
Siderisch is afgeleid van het Latijnse sidus (gen. sideris) (sterrenbeeld, ster).

Siderische tijd is een synoniem voor sterrentijd. Het is de tijdrekening die gebaseerd is op de siderische rotatieperiode van de Aarde. De plaatselijke sterrentijd is per definitie gelijk aan de
rechte klimming van de objecten die zich op de meridiaan van de waarnemer bevinden, ofwel aan de uurhoek van het lentepunt. De sterrentijd is dus altijd een bruikbare indicatie voor het deel van de sterrenhemel dat op een bepaald moment waarneembaar is. Tijdens de herfstequinox is de sterrentijd gelijk aan de plaatselijke zonnetijd. (DD)

Let wel, plaatselijke sterretijd en plaatselijke burgerlijke tijd vallen samen rond het moment van de herfst-equinox, niet precies op het moment zelf van deze equinox. (Ik gebruik hier de term "burgerlijke tijd", omdat de zonnetijd per definitie geteld wordt vanaf de middag, de burgerlijke tijd vanaf middernacht).

In 2002, bijvoorbeeld, hebben we de volgende waarden van de middelbare sterretijd te Greenwich om 0h UT:

20 sep    23h 54m 51.8 sec
21 sep    23h 58m 48.3 sec
22 sep    0h 02m 44.9 sec
23 sep    0h 06m 41.4 sec

zodat UT en sterretijd (te Greenwich) gelijk zijn ergens in de voormiddag van 21 september, terwijl equinox plaatsvindt op 23 september te 4h 55m UT.

Maar waarom gebeurt dit nabij het herfst-equinoctium (rond het moment van de herfst-equinox)?

Laten we geen rekening houden met de tijdvereffening (equation of time), noch met de kleine correctietermen van de nutatie.
Stel dat we op de meridiaan van Greenwich zitten en dat het 0h UT is. Voor welke datum van het jaar is het dan ook 0h sterretijd? Als het 0h sterretijd is, staat het lentepunt in de zuidelijke meridiaan. Dus staat het 'herfstpunt' precies in het noorden, daar waar ook de Zon staat! Dus staat de Zon in het herfstpunt van de ecliptica, dus in het herfst-equinoctium. Zo eenvoudig is dat! (Jean Meeus, VVS-mailing list, 14-5-02)

Snaartheorie
Waar de algemene relativiteit van toepassing is (nl. in de grote structuren), is de zwaartekracht de bepalende factor terwijl de drie andere wisselwerkingen verwaarloosbaar zijn. Waar de kwantummechanica op het voorplan treedt (in de wereld van de microscopie) moet de zwaartekracht de plaats ruimen voor de sterke, zwakke en elektromagnetische wissselwerking. Maar tijdens exceptionele omstandigheden wordt de zwaartekracht even belangrijk als de andere drie wisselwerkingen. Dit is het geval tijdens de eerste momenten van het universum waar temperatuur en dichtheid extreme vormen aannamen. De ontrafeling van deze eerste periode vereist een algemene theorie waarin de algemene relativiteit en de kwantummechanica harmonisch samengaan. Tot op heden is de snaartheorie de beste kandidaat om het conflict tussen beide theorieŰn op te lossen.

In de snaartheorie bestaan de fundamentele bouwstenen van de natuur uit microscopische objecten waarvan de grootte van de orde zou zijn van de lengte van Planck (1,6161 x 10-35 m). De bekende deeltjes, zowel de fermionen als de bosonen verschijnen als bijzondere vibratiewijzen van de fundamentele snaartjes. Vioolsnaren brengen klanken voort als ze aangeslagen worden, de fundamentele snaartjes brengen deeltjes voort. De snaartheorie kent 10 dimensies (9 ruimtelijke en 1 voor de tijd) waarvan er 6 minuscuul zijn en in zich 'opgerold'.

De snaartheorie is geŰvolueerd tot supersnaartheorie (die de supersymmetrie incorporeert waarbij naast de bosonische ook de femionische vibratiepatronen werden opgenomen) en de M-theorie (die vijf snaartheorieŰn opnam in ÚÚn alomvattende theorie: de M-theorie). De naam M -theorie is blijkbaar bewust geheimzinnig gehouden en kan staan voor Mystery Theory, Mother Theory, enz. Volgens Edward Witten vereist het 'universum van de snaren' 11 dimensies (10 ruimtelijke en 1 voor de tijd).

Er wordt heel veel tijd en energie gestopt in de snaartheorie. Er is immers nog steeds geen alternatief voor de theorie.

Bronnen:

Sterrenbeelden
De volledige lijst van de namen en van de Engelse vertaling van de 88 sterrenbeelden

Supernova
Afgeleid van het Latijnse super (boven, nog meer) en nova (stella) (nieuwe ster).
Tijdens het maximum evenaart de lichtkracht van de supernova de lichtkracht van het hele melkwegstelsel waarvan het deel uitmaakt. Het zijn dus gewoonlijk heel spectaculaire gebeurtenissen. Ze komen ook veelvuldig voor. In het zichtbare universum is er ongeveer elke seconde een supernova (Nature, 15 oktober 1998). In onze Melkweg komt een heldere supernova eens om de honderd jaar voor. In het sterrenbeeld Vela vond meer dan 10.000 jaar geleden een supernova plaats, op een afstand van ongeveer 1500 lichtjaar. De restanten reiken tot ver buiten het sterrenbeeld. Een nog oudere supernova-restant is de Sluiernevel in Cygnus. De leeftijd wordt geschat op 30.000 Ó 50.000 jaar en de afstand zou ongeveer 2600 lichtjaar bedragen.

Andere voorbeelden van supernovae in onze Melkweg (het getal na SN komt overeen met het jaartal waarin de supernova werd waargenomen):

Volledige lijst van alle supernovae sinds 1006: http://cfa-www.harvard.edu/iau/lists/Supernovae.html

Historische supernovae: Lees artikel van Jan Vandenbruaene in Heelal, oktober 2004, p. 312-323.

De twee voornaamste types zijn: supernova van het type Ia en van het type II.

Zonder overdrijven kan men zeggen dat wij ons bestaan te danken hebben aan supernovae. Het zijn zij die ervoor zorgen dat de levensnoodzakelijke elementen zoals ijzer, zuurstof, koolstof, ... die in de kern zijn aangemaakt, in de kosmos worden verspreid.

Meer over dit onderwerp: Paul Hellings, Supernovae (I) en (II), in Heelal, november en december 2001.

Supersonisch
Afgeleid van het Latijnse super (boven, nog meer) en sonus (geluid).
De
term supersonisch betekent dat de snelheid van het bewegend object hoger is dan de snelheid van het geluid in het omringend medium. In de lagere luchtlagen van de Aarde bedraagt de geluidssnelheid ongeveer 330 m/s. Mach 1 is gelijk aan de geluidssnelheid. In de bijna lege ruimte heeft de geluidssnelheid een waarde van ongeveer 10 km/s.

Synchrotronstraling
Afgeleid van
sun cronoV (synchroon, gelijktijdig, samenvallend in de tijd) en cyclotron (samenvoeging van kukloV (wiel, kring) en elektron).
Wanneer elektronen de lichtsnelheid benaderen en een magnetisch veld ontmoeten, spiraleren ze rond dat veld en sturen elektromagnetische straling uit. Meestal is dit radiostraling maar de synchrotronstraling kan ook in andere golflengten voorkomen: visueel, ultraviolet of r÷ntgenstraling.

Topocentrisch
Afgeleid van t op oV (plaats) en kentron (punt),
Vanuit het standpunt van de waarnemer gezien.

Tropisch (zonne)jaar
Er zijn twee definities in gebruik.

Top

Umbra
Afgeleid van het Latijnse umbra (schaduw, duisternis).
De donkere kern van een zonnevlek. Gewoonlijk is deze kern omgeven door een lichter gedeelte: de penumbra.

UT
Universal Time (Wereldtijd).
Omdat de lengte van de ware zonnedag varieert tussen 23h59m39s en 24h0m30s werd de middelbare zonnetijd ingevoerd. De mate waarin de ware Zon voor- of achterloopt t.o.v. de middelbare Zon wordt getoond in de grafiek van de tijdsvereffening. Omdat de middelbare tijd van plaats tot plaats verschilt, heeft men de zonetijd ingevoerd. De aardbol werd verdeeld in 24 zones met Greenwich als centrale zone. De burgerlijke dag begint om middernacht. (In het systeem van de Ware zonnetijd begon men te tellen vanaf de middag, wanneer de Zon exact door de zuidelijke meridiaan gaat.) Vandaar kan men zeggen dat wanneer de Middelbare Zon door de zuidelijke meridiaan van Greenwich trekt, het 12 uur burgerlijke tijd is van Greenwich (Greenwich Civil Time).  Het gebruik van de term GMT (Greenwich Mean Time) wordt afgeraden omdat de term verwarring schept.

Vanaf 1926 werden de Middelbare zonnetijden vervangen door de Universele tijd (UT). Zoals de naam het zegt, wilde men ÚÚn enkel tijdsysteem over de gehele wereld. In de praktijk zijn er twee soorten Wereldtijd: UT0 en UT1. UT0 wordt afgeleid uit de dagelijkse beweging van sterren. UT1 wordt afgeleid van UT0 maar er wordt rekening gehouden met het effect van de beweging van de polen van de Aarde t.o.v. het aardoppervlak.
Tijdens de zomerperiode wordt overgeschakeld op de zomertijd: de oosteuropese tijd (UT + 2h) en tijdens de winterperiode op de wintertijd : de middeneuropese tijd (UT + 1h).
De Wereldtijd (UT) is net zoals de Zonnetijd gebaseerd op de rotatie van de Aarde. Omdat deze rotatie vertraagt, vormt de UT geen goede tijdsmeter. Daarom werd overgeschakeld op de Atoomtijd (TAI of Temps atomique international). Al vlug zou blijken dat TAI voorloopt op de UT. Daarom werd een andere tijd gedefinieerd: de UTC (Coordinated Universal Time). UTC is een tijd die even snel verloopt als de TAI maar nooit meer dan ÚÚn seconde van UT1 verschilt. UTC volgt dus op hoogstens ÚÚn seconde na de rotatie van de Aarde. Zodra het verschil tussen UT1 en UTC 0,9 s bedraagt, wordt een seconde toegevoegd (of afgetrokken). Schrikkelseconden kunnen ingelast worden op 30 juni of op 31 december. De laatste keer dat een schrikkelseconde werd ingelast, was op 31 december 1998. Sindsdien is TAI = UTC + 32 s. UTC is daarom de basis voor de burgelijke tijd over de gehele wereld. De volgende keer dat een schrikkelseconde zal worden ingevoegd, is op 1 januari 2006.

Wanneer men zegt dat iets gebeurd is om 18.00 UTC bijv., dan veronderstelt men het op die 0,9 seconde aankomt. Als het daarop niet aankomt, kan men beter zeggen dat het feit zich voorgedaan heeft om 18.00 UT.

Om de bewegingen van objecten in het zonnestelsel te berekenen, legde de IAU (International Astronomical Union) een consistente theorie vast met als tijdsparameter de Dynamische tijd. UTC is een uniforme tijdsschaal en loopt evenwijdig met de Dynamische Tijd en dus ook met de TAI. Er zijn twee varianten van de Dynamische tijd: de Aardse tijd (Terrestrial Time TT) en de Barycentrische Dynamische tijd (TDB). Het verschil tussen Aardse tijd en Universele tijd wordt gewoonlijk aangeduid door DT. Thans (augustus 2006) bedraagt dit 65,0 seconden. Uiteraard loopt UT achter op de Dynamische Tijd omdat de rotatie van de Aarde vertraagt en de Dynamische Tijd een uniforme tijdsschaal is.

DT = TT - UT1.

Omdat de vertraging van de rotatie van de Aarde op onregelmatige wijze gebeurt, neemt ook DT onregelmatig toe." (Meer: Claude Doom, Kan iemand mij zeggen hoe laat het is? (I en II), in Heelal, juli en september 2001.)

Uurhoek
Maakt deel uit van de uurco÷rdinaten (
co÷rdinatenstelsels). De uurhoek van een punt P op de hemelsfeer is de hoek in het evenaarsvlak tussen het zuiden en het snijpunt door P op het evenaarsvlak. Het declinatie-uurhoek systeem wordt toegepast bij equatoriaal opgestelde telescopen. Bij deze instelling is ÚÚn as van de telescoop parallel met de rotatieas van de Aarde. Daardoor kan de declinatie rechstreeks afgelezen worden van de telescoop. De uurhoek echter verandert mee met de tijd.

De siderische tijd kan men bekomen door een equatoriaal opgestelde telescoop te richten naar een ster. Men leest de uurhoek af op de aangebrachte verdeling (gewoonlijk in uren). Indien men daarbij de rechte klimming van die ster telt (die men terugvindt in catalogen), bekomt men de siderische tijd op het ogenblik van de observatie. Daar de uurhoek en de rechte klimming zo nauw verbonden zijn met de tijd, worden ze in tijdseenheden (uren, minuten, seconden) uitgedrukt.

Vuurbol
Een
meteoor die helderder is dan Venus (visuele magnitude groter dan - 4).

Wisselwerkingen
Er zijn 4 wisselwerkingen of interacties gerangschikt volgens sterkte:

Witte dwerg
Is het overblijfsel van een kleine of niet te massieve ster. De meeste witte dwergen zijn samengesteld uit koolstof en zuurstof (C en O). Er bestaan ook helium (He) witte dwergen en zuurstof, neon en magnesium witte dwergen (O, Ne, Mg).
In de kern van een witte dwerg wordt de druk niet meer be´nvloed door de temperatuur maar door de dichtheid van de vrije elektronen. Bij toenemende druk is de materie vanaf een bepaald ogenblik ontaard. De ontaarding zorgt op zijn beurt voor een druk die vanaf een bepaald ogenblik sterk genoeg is om weerstand te bieden aan de gravitatie. Men spreekt van
'elektronendruk'. Bij de Zon zal de ontaarding zich manifesteren bij een temperatuur van 100 miljoen K.
Hoe meer massa een witte dwerg bevat, hoe groter de dichtheid en hoe kleiner het volume. De straal van een witte dwerg varieert van 0,02 keer de straal van de Zon tot ongeveer 0 (bij een theoretische massa van 1,4 zonsmassa). Volgens Chandrasekhar (Amerikaan van Indische afkomst) bestaan er geen witte dwergen die zwaarder zijn dan 1,4 zonsmassa. Die limiet wordt de Chandrasekhar-limiet genoemd. De centrale dichtheden van witte dwergen varieren tussen 105 en 1012 gr/cm3. Een typische dichtheid is 107 gr/cm3 doorheen de witte dwerg.
De eerst ontdekte witte dwerg is Sirius B en bevindt zich op 8,6 lichtjaar van de Zon. Sirius B is van dezelfde grootteorde als de Aarde maar heeft ongeveer evenveel massa als de Zon. Een dm3 materie van Sirius B bevat dus 320.000 keer meer massa dan een dm3 materie van de Aarde. De magnitude bedraagt 8.7. De witte dwerg staat momenteel te dicht bij de heldere ster Sirius om gemakkelijk te kunnen onderscheiden worden. (Meer in P. Hellings, Witte dwergen: stellaire archeologie, in Heelal, februari en maart 1998)

ZHR
Zenithal Hourly Rate of zenitale uurfreqentie. Dit is een maat voor de gecorrigeerde meteorenactiviteit. De ZHR stelt het aantal meteoren per  uur voor dat een waarnemer zou zien onder een onbewolkte hemel, met de radiant in het zenit en met een grensmagnitude van 6,5. (Heelal juli 1996, p. 182)

Zonnecyclus
De voornaamste periodiciteit in de zonneactiviteit is de 11-jarige
cyclus of de zonnecyclus. De periode is niet constant maar varieert tussen 9,5 en 12,5 jaar. Een cyclus begint bij de minimum activiteit van de Zon. De vorige volledige zonnecyclus is deze van 1986,8 -1996,4 en kreeg het nummer 22. De 'eerste' zonnecyclus is deze van 1755 tot 1766. Momenteel bevinden we ons in de 23ste zonnecyclus. More: Solar cycle
De 11-jarige cyclus komt tot uiting in de breedteligging van de zonnevlekken. Bij het begin van de cyclus verschijnen nieuwe zonnevlekken ongeveer op de +/- 45░ breedte. Naarmate de cyclus evolueert, verhuizen de vlekken naar de Evenaar, tot ongeveer +/- 5░ breedte bij het einde van de cyclus. De plots die deze kenmerken weergeven, worden vlinderdiagrammen genoemd. Daarbij valt het op dat er tijdens het maximum van de zonneactiviteit een ompoling plaatsvindt of een omslag van het magnetisch veld. Zo was er een ompoling op 15-02-2001. Sindsdien bevindt zich de magnetische noordpool in het zuidelijk halfrond. Rond het jaar 2012 zullen de magnetische polen opnieuw omwisselen. Indien men de ompoling in rekening brengt, komt men tot een cyclus van 22 jaar (de zogenaamde double-solar-cycle (DSC)). More: The Sun Does a Flip.

Zonnevlam (Solar flare)
Zijn gigantische ontploffingen in de zonneatmosfeer. Ze komen vaak voor samen met een CME. Ze werden het eerst ontdekt naar aanleiding van het overweldigend poollicht van 1859. Zonnevlammen evolueren op een tijdsschaal van enkele minuten. Ze ontstaan waarschijnlijk wanneer de magnetische veldlijnen geassocieerd met een zonnevlek verstrengeld raken en energie vrijmaken via magnetische 'reconnectie'.  Tijdens een zonnevlam komt er harde r÷ntgenstraling en gammastraling vrij. Daarenboven komen energetische deeltjes (protonen, elektronen en alfadeeltjes of heliumkernen) vrij die zich bewegen langs de magnetische velden van de
heliosfeer. Men staat verstomd van de efficiŰntie waarmee flares subatomaire deeltjes versnellen tot energieŰn die groter zijn dan een miljard eV. De wijze waarop dit plaatsvindt is veel efficiŰnter dan gelijk welke deeljesversneller die op Aarde is gebouwd. De meest energetische deeltjes kunnen reeds na een tocht van slechts enkele uren de Aarde bereiken waar ze in de atmosfeer op hogere breedtegraden verbrijzeld worden door de moleculen van lucht. Poollicht kan er het gevolg van zijn. Een recente krachtige zonnevlam werd op 2 april 2001 opgemerkt aan de westelijke rand van de Zon nabij de zonnevlek 9393. De flare was krachtiger als deze die in 1989 een elektriciteitscentrale in Canada uitschakelde. Gelukkig voor ons was ditmaal de maximale puls van de uitstoot niet op de Aarde gericht. More: Solar flares
De toenemende waarde van de intensiteit van zonnevlammen wordt voorgesteld door de r÷ntgenklasses A, B, C, M en X.

Zonnewind
Het buitenste gebied van de Zon, de corona, is zo heet (tot 2 miljoen graden) dat waterstof en helium aan de zwaartekracht van de Zon kunnen ontsnappen en een voortdurende uitstoot van materie veroorzaken die de zonnewind wordt genoemd. Omwille van de hoge temperatuur is de zonnewind (volledig ge´oniseerd) plasma. Daarenboven bereikt de zonnewind een
supersonische snelheid op een afstand van enkele zonnediameters omwille van de opwarming, de compressie en de daaropvolgende expansie. Ter hoogte van Mercurius bereikt de zonnewind Mach 3 terwijl bij de buitenplaneten het Machgetal 8 en meer kan worden gehaald.
De expanderende zonnewind sleept het magnetisch veld van de Zon naar buiten, waardoor het zogenaamde 'interplanetair magnetisch veld' wordt gevormd. Het gebied in de ruimte waar dit magnetisch veld van de Zon overheerst wordt de heliosfeer genoemd.
Het zonnewind plasma bestaat voornamelijk uit hete elektronen en protonen met een kleine fractie van He2+ ionen en enkele andere zware ionen. De zonnewind afkomstig van streamers (met gesloten veldlijnen) is traag, terwijl deze die ontstaan in coronale gaten, snel is (tot 900 km/s). More: Solar wind.

Zwart gat
Indien de kern van een massieve ster groter is dan 3 zonsmassa's, ontstaat tijdens een supernova of een hypernova een zwart gat. In een zwart gat is de massa zo sterk in elkaar gedrukt dat een singulariteit ontstaat, een punt in het centrum waar de dichtheid oneindig is.  De afstand tussen de singulariteit en de waarnemingshorizon wordt de Schwarzschildstraal genoemd. Deze is gelijk aan

Sch_straal.nbgr1.gif (1091 bytes)

(Rsch is Schwarzschildstraal, G is gravitatieconstante, M is massa, c is de lichtsnelheid). Men kan zelf berekenen dat voor een massa gelijk aan de Zon, de Schwarzschildstraal gelijk is aan 2,95 km. De waarnemingshorizon komt overeen met de baan van het licht dat juist niet kan ontsnappen van het zwart gat. Eenmaal materie en licht van buiten uit de waarnemingshorizon heeft overschreden, is er geen terugweg mogelijk. De waarnemingshorizon fungeert dus als een membraan dat enkel verkeer van buiten naar binnen toelaat. Het gravitatieveld van een zwart gat is zo sterk dat niets kan ontsnappen, zelfs niet het licht.

Een niet-roterende ster zou na een gravitationele instorting eindigen als een volkomen bolvormig zwart gat. De grootte van het zwart gat is dan enkel afhankelijk van de massa. De ruimte-tijd is in de omgeving van het zwart gat vervormd.
De vorm van roterende zwarte gaten is afhankelijk van de massa en de rotatie. Heel snel roterende zwarte gaten vervormen niet enkel de ruimte-tijd, maar sleuren de ruimte-tijd met zich mee. Dit werd trouwens afgeleid uit de Algemene Relativiteitstheorie. De Nieuw-Zeelandse wiskundige Roy Kerr is bekend voor zijn berekeningen omtrent roterende zwarte gaten. (Meer: George Beekman, De tijd weggezogen, NRC-Handelsblad, 15 november 1997)
Het aantal zwarte gaten in de Melkweg is heel groot. In het centrum van onze Melkweg is een zwart gat aanwezig van meer dan 2,6 miljoen zonsmassa's.

In quasars zouden nog grotere zwarte gaten schuilen met een massa van ongeveer honderd miljoen keer de massa van de Zon. Materie (gas en stof) die invalt vanuit de accretieschijf in het zwart gat zou de enorme energie kunnen verklaren die vrijkomt bij quasars. Bij dit invallen wordt een magnetisch veld opgewekt. Hoog-energetische deeltjes worden verwekt nabij het zwart gat door de invallende materie. Mogelijk worden deze deeltjes door zeer sterke magnetische velden  in de vorm van jets uitgeworpen via de rotatieas van het zwart gat (in de richting van de noord- en zuidpool). (More: Stephen Hawking, A Brief History of Time, Bantam Books)

Top