De eerste telescopen die in gebruik waren, de lenzenkijkers of refractoren, maakten gebruik van lenzen. Bij die eerste refractoren had men last van kleurschifting of chromatische aberratie. Een eenvoudige lens heeft nl. de eigenschap dat ze het doorvallende licht ontleed in de diverse kleuren waaruit het opgebouwd is. De breking gebeurt voor elk kleur anders, waardoor de lichtstralen niet in eenzelfde punt samenkomen. Daardoor was het beeld in die eerste telescopen onscherp met veel kleurafwijking. Tegenwoordig wordt dit effect opgeheven door samengestelde lenzen, maar toen kenden ze dat nog niet.
Om dit probleem op te lossen, gooide onze goede oude Isaac Newton het over een andere boeg. Hij ging ervan uit dat het bundelen van lichtstralen die aanvankelijk evenwijdig lopen ook kan worden bereikt door een op een juiste wijze geslepen spiegel ( net zoals de scheerspiegel in de badkamer).
Het grote voordeel van zo'n holle spiegel boven een lens is dat hij de lichtstralen weerkaatst in plaats van doorlaat. Hierdoor wordt het licht niet meer in verschillende kleuren gebroken. Bovendien is een spiegel gemakkelijker te maken dan een lens (er moet slechts 1 oppervlak perfect geslepen worden).
Maar als we het in het brandpunt onstane beeldje willen bekijken, dan zitten we met ons hoofd in de weg. Newton vond hier een oplossing voor: hij plaatste een vlak spiegeltje in een hoek van 45° in de lichtbundel zodat hij het beeld kon bekijken langs de zijkant van de telescoop. Dit is een van de meest gebruikte telescopen.