Twee belangrijke karakteristieken van een ster zijn haar lichtsterkte (absolute magnitude) en haar spectrum. Sterren kunnen in 10 hoofdklassen worden verdeeld op basis van bepaalde bijzonderheden in hun spectrum, aangeduid al O,B,A,F,G,K,M,R,N en S. Deze klassen die lopen van hoge tot lage oppervlaktetemperaturen zijn verder verdeeld in 10 subklassen. ALs de spectrale klasse is uitgezet tegen de helderheid vallen de sterren vrijwel allen in tamelijk onderscheiden groepen uiteen. Dit kan gezien worden in het diagram dat naar haar ontdekkers is genoemd. De meeste sterren, waaronder de zon liggen op een band die de hoofdreeks wordt genoemd.

Surface temperature of the star