In 1725 stelden Bradley en een
andere amateur-astronoom, Samuel Molyneux, een heel nauwkeurige telescoop op
in de schoorsteen van Molyneux' buitengoed te Kew bij Londen. Met deze 'zenittelescoop'
werd verticaal omhoog gekeken, naar het deel van de hemel waar verstoringen
van het sterrenlicht door de atmosfeer minimaal waren. Het instrument werd slechts
gebruikt voor de waarneming van slechts 1 ster, g Draconis, die op de breedte
van Londen vrijwel door hetzenit beweegt. Zij redeneerden dat de schijnbare
positie van deze ster in de lop der maanden misschien een heel klein beetje
zou veranderen als gevolg van de veranderende positie van de aarde tijdens haar
baan om de zon. De waarnemingen bleken inderdaad een positieverandering aan
het licht te brengen, maar een andere dan die men verwacht had. g Draconis schoofin
de loop van een jaar wat heen en weer, maar de richting van die beweging was
niet in overeenstemming met de verwachte richting van de parallaxbeweging. Om
meer zekerheid hierover te verkrijgen stelde Bradley een tweede telescoop op,
waarmee hij een iets groter gebied rond het zenit en dus meer sterren kon waarnemen.
In 1728 had Bradley meer dan 800 sterren waargenomen , die tot zijn verbazing
allemaal hetzelfde gedrag vertoonden, maar nog steeds geen parallaxgedrag. Zoals
wel vaker gebeurt werd de verklraing voor dit verschijnsel niet tijdens het
werk, maar tijdens een moment van ontspanning gevonden. Het verhaal gaat dat
Bradley op een dag op een boot op de Theems voer en naar het windvaantje op
de top van de mast keek. Het wees in de richting van de wind en veranderde dus
steeds van stand wanneer de boot van richting veranderde. Bradley zag toen in
gedachten de aarde als schip dat in de 'wind' van het sterrenlicht vaart: steeds
als het schp van koers verandert, lijkt het alsof de ster van positie verandert.
De beweging van de aarde heeft als gevolg dat het sterrenlicht wat lijkt af
te wijken van de ruchting die het zou hebben als de aarde stilstond: de aberratie
van het sterrenlicht.